Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2022:10802

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
15 december 2022
Publicatiedatum
15 december 2022
Zaaknummer
21-006684-19
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 138ab SrArt. 6:6:25 SvArt. 422 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep ontnemingsvordering phishing met schatting wederrechtelijk voordeel

In deze ontnemingszaak heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland vernietigd en de zaak opnieuw beoordeeld. Betrokkene werd verdacht van phishing en medeplegen van diverse strafbare feiten, waarbij hij financieel voordeel had behaald. Het hof concludeerde dat onvoldoende aanwijzingen bestonden dat betrokkene ook andere soortgelijke feiten had gepleegd zoals vermeld in het ontnemingsrapport.

Het hof schatte het wederrechtelijk verkregen voordeel op €178.663,49, waarbij 10% werd gerekend als kosten voor katvangers en loopjongens. Aangezien betrokkene samen met ten minste één ander handelde, werd het voordeel voor hem vastgesteld op de helft, namelijk €89.331,75. Deze schatting is gebaseerd op wettige bewijsmiddelen en komt overeen met de bewijsmiddelen in de hoofdzaak.

De verplichting tot betaling aan de Staat werd opgelegd voor dit bedrag zonder vermindering, ondanks de constatering van overschrijding van de redelijke termijn. Tevens bepaalde het hof de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 365 dagen, conform de wettelijke voorschriften en LOVS-afspraken. Het arrest werd uitgesproken op 15 december 2022 door de meervoudige kamer van het hof.

Uitkomst: Betrokkene is verplicht tot betaling van €89.331,75 aan de Staat met gijzeling tot 365 dagen bij niet-nakoming.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-006684-19
Uitspraak d.d.: 15 december 2022
TEGENSPRAAK
ONTNEMINGSZAAK
Verkort arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis (ontneming) van de rechtbank Midden-Nederland van 11 december 2019 met parketnummer 16-013330-19 op de vordering ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak tegen

[betrokkene] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1996,
wonende te [woonplaats] , [adres] .

Het hoger beroep

De betrokkene heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 10 september 2021, 17 november 2022, 15 december 2022 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van Pro het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal strekkende tot bevestiging van het vonnis van de rechtbank. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door betrokkene en zijn raadsvrouw,
mr. A.T. van Vulpen, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich niet met het vonnis waarvan beroep zodat dit behoort te worden vernietigd en opnieuw moet worden rechtgedaan.
Vordering
De inleidende schriftelijke vordering van de officier van justitie strekt tot schatting van het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel op € 276.663,71 en tot oplegging van de verplichting tot betaling aan de Staat van datzelfde bedrag.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op € 143.818,10 en dat aan betrokkene wordt opgelegd de verplichting tot betaling aan de Staat van datzelfde bedrag.
De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De betrokkene is bij arrest van dit hof van 15 december 2022 (parketnummer 21-006689-19) ter zake van het volgende veroordeeld tot straf:
medeplegen van met het oogmerk dat daarmee een misdrijf als bedoeld in artikel 138ab, tweede of derde lid, van het Wetboek van Strafrecht wordt gepleegd, een technisch hulpmiddel dat hoofdzakelijk geschikt of ontworpen is tot het plegen van een zodanig misdrijf, verwerven, ter beschikking stellen en voorhanden hebben;
medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd;
medeplegen van computervredebreuk, meermalen gepleegd;
medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk gegevens die door middel van een geautomatiseerd werk of door middel van telecommunicatie zijn opgeslagen, worden verwerkt en overgedragen, veranderen, meermalen gepleegd;
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd;
witwassen.
Uit het strafdossier en bij de behandeling van de vordering ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat betrokkene uit het bewezenverklaarde handelen financieel voordeel heeft genoten.
Naar het oordeel van het hof zijn er onvoldoende aanwijzingen dat betrokkene de in het ontnemingsrapport genoemde andere, soortgelijke feiten heeft begaan waaruit hij wederrechtelijk voordeel zou hebben genoten. In het onderliggende ontnemingsrapport wordt dezelfde modus operandi genoemd als aanwijzing dat betrokkene deze feiten ook heeft begaan. De geschetste modus operandi is echter niet dermate bijzonder en specifiek wijzend in de richting van betrokkene dat dit voldoende is om louter op basis daarvan betrokkene hier (mede)verantwoordelijk voor te houden.
De betrokkene heeft verklaard dat hij € 13.000,00 à € 14.000,00 heeft verdiend met de door hem gepleegde phishing-activiteiten.
Aan de inhoud van wettige bewijsmiddelen ontleent het hof de schatting van het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel op een bedrag van
€ 89.331,75. De gebezigde bewijsmiddelen komen overeen met de bewijsmiddelen in de hoofdzaak. Voor de gebezigde bewijsmiddelen verwijst het hof daarom naar de bewijsmiddelen zoals weergegeven in het arrest in de hoofdzaak (parketnummer 21-006689-19).
Het hof komt als volgt tot deze schatting:
Opbrengst
Benadeelde:
Schade:
[benadeelde 1]
€ 3.000,00
[benadeelde 2]
€ 2.190,00
[benadeelde 3]
€ 2.224,30
[benadeelde 4]
€ 1.999,99
[benadeelde 5]
€ 1.899,00
[benadeelde 6]
€ 2.978,00
[benadeelde 7]
€ 1.899,00
[benadeelde 8]
€ 500,00
[benadeelde 9]
€ 17.055,47
[benadeelde 10] / [benadeelde 11]
€ 92.877,28
[benadeelde 12]
€ 18.495,29
[benadeelde 13]
€ 6.025,00
[benadeelde 14]
€ 8.650,00
[benadeelde 15]
€ 1.960,00
[benadeelde 16]
€ 13.173,00
[benadeelde 17] / [benadeelde 18]
€ 2.919,00
[benadeelde 19]
€ 11.114,66
[benadeelde 20]
€ 9.555,00
Totaal
€ 198.514,99
Kosten
Bij de phishing is gebruik gemaakt van katvangers en loopjongens. Het hof schat het bedrag dat werd uitgegeven aan katvangers en loopjongens op 10 procent van de opbrengst.
Totale voordeel
Het hof schat het totale wederrechtelijk verkregen voordeel aldus op
€ 178.663,49(€ 198.514,99 minus 10% aan kosten).
Verdeling
Uit het dossier volgt dat betrokkene niet alleen heeft gehandeld maar samen met ten minste één ander. Betrokkene heeft niet willen verklaren of er sprake was van een bepaalde verdeling van de opbrengst onder nog meer personen. Het hof zal daarom het wederrechtelijk verkregen voordeel voor betrokkene bepalen op de helft van het geschatte bedrag (pondspondsgewijze verdeling met een mededader). Voor betrokkene betekent dit dat in zijn geval het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op een bedrag van
€ 178.663,49/2 =
€ 89.331,75.
De verplichting tot betaling aan de Staat
Er is geen aanleiding tot vermindering van de betalingsverplichting.
De overschrijding van de redelijke termijn heeft in de hoofdzaak reeds tot strafvermindering geleid. Daarom wordt in de onderhavige zaak volstaan met de constatering ervan.
Aan de betrokkene dient, ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel, derhalve de verplichting te worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van
€ 89.331,75.

Gijzeling

Op grond van artikel 36e, elfde lid van het Wetboek van Strafrecht dient de rechter bij de oplegging van de maatregel de duur van de gijzeling te bepalen die met toepassing van artikel 6:6:25 van Pro het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd, indien volledig verhaal van de opgelegde betalingsverplichting niet mogelijk blijkt, waarbij voor elke volle € 25,- niet meer dan één dag wordt opgelegd.
Bij de bepaling van de duur van de gijzeling heeft het hof de LOVS-afspraken hierover in acht genomen. Gelet op de vastgestelde betalingsverplichting, bepaalt het hof de duur van de gijzeling op ten hoogste 365 dagen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
Dit voorschrift is toegepast, zoals het gold ten tijde van de procedure.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van €
89.331,75 (negenentachtigduizend driehonderdeenendertig euro en vijfenzeventig cent).
Legt de betrokkene de verplichting op tot
betaling aan de Staatter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van
€ 89.331,75 (negenentachtigduizend driehonderdeenendertig euro en vijfenzeventig cent).
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 365 dagen.
Aldus gewezen door
mr. A.J. Rietveld, voorzitter,
mr. A.H. toe Laer en mr. P.T. Heblij, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. M. Nijhuis, griffier,
en op 15 december 2022 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. P.T. Heblij is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.