De curator van een failliete besloten vennootschap kwam in verzet tegen de hoogte van het door hem betaalde griffierecht, dat door de griffier was vastgesteld op het tarief voor niet-natuurlijke personen (€ 2.106). De curator stelde dat hij als natuurlijk persoon moet worden aangemerkt en daarom het lagere tarief voor natuurlijke personen (€ 772) van toepassing is.
Het hof overwoog dat de curator weliswaar een natuurlijke persoon is, maar niet optreedt voor eigen belangen, maar voor de gezamenlijke schuldeisers en belangen van maatschappelijke aard. Het onderscheid tussen natuurlijke en niet-natuurlijke personen in de Wet griffierechten burgerlijke zaken (Wgbz) is mede gebaseerd op draagkracht, maar dit verschil is tussen een natuurlijke persoon en een gefailleerde rechtspersoon minder evident.
Het hof concludeerde dat het tarief voor natuurlijke personen moet worden gehanteerd bij het heffen van griffierecht van een curator. Het verzet van de curator werd gegrond verklaard, de beslissing van de griffier vernietigd, het griffierecht vastgesteld op € 772 en het te veel betaalde griffierecht terugbetaald.
De uitspraak sluit aan bij eerdere jurisprudentie en waarborgt rechtsgelijkheid en eenheid in de toepassing van griffierechten bij curatoren in faillissementen.