Belanghebbende B.V. maakte bezwaar tegen de aanslagen vennootschapsbelasting (Vpb) over 2016 en 2017, waarbij de Inspecteur de afwaardering van een debiteurenvordering op dochtermaatschappij [naam6] B.V. corrigeerde. De rechtbank verklaarde het beroep over 2016 ongegrond en dat over 2017 gegrond, waardoor de aanslag 2017 werd verminderd.
Beide partijen stelden hoger beroep in tegen deze uitspraak. Het geschil spitste zich toe op de vraag of de afwaardering van de debiteurenvordering terecht was gecorrigeerd, waarbij de Inspecteur stelde dat geen reëel risico op oninbaarheid bestond per ultimo 2016, terwijl belanghebbende het tegendeel betoogde.
Het hof oordeelde dat de financiële positie van [naam6] per 31 december 2016 voldoende was om de vordering als volwaardig te beschouwen, mede gelet op het positieve eigen vermogen en het hypothecair zekerheidsrecht op het terrein van de betoncentrale. De aanslag 2016 werd bevestigd en de aanslag 2017 dienovereenkomstig verminderd.
Het hof veroordeelde de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende en legde griffierecht op. De uitspraak werd in het openbaar gedaan op 20 december 2022.