In deze zaak stond de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige centraal, die sinds 2019 onder toezicht staat en in een pleeggezin woont. De ouders hadden gezamenlijk gezag, maar dit werd bij beschikking van 12 januari 2022 door de rechtbank beëindigd. De vader ging in hoger beroep tegen de verlenging van de uithuisplaatsing tot 20 juni 2022 en verzocht om een kortere duur.
Het hof oordeelde dat de beëindiging van het gezag niet automatisch leidt tot het vervallen van de machtiging tot uithuisplaatsing. De Nederlandse rechter is bevoegd omdat de minderjarige haar gewone verblijfplaats in Nederland heeft. Het hof onderschreef de overwegingen van de kinderrechter dat de uithuisplaatsing noodzakelijk blijft voor de verzorging en opvoeding van het kind.
De vader betwistte de noodzaak vanwege vermeend ontbreken van huiselijk geweld en onvoldoende kansen om voor het kind te zorgen. Het hof stelde echter vast dat meerdere instanties, waaronder de Duitse kinderbescherming, Veilig Thuis en de politie, zorgen uitten over huiselijk geweld. De vader voldeed niet aan gestelde voorwaarden, werkte niet mee met de jeugdbescherming en beschikte niet over geschikte huisvesting.
De minderjarige was al bijna twee jaar gehecht aan het pleeggezin, waardoor een thuisplaatsing niet in haar belang zou zijn. Het hof vond geen aanleiding om de termijn van de uithuisplaatsing te verkorten en bekrachtigde de beslissing van de kinderrechter.