Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
1.[geïntimeerde1] ,
[geïntimeerde2],
1.Het verloop van de procedure in hoger beroep
2.De kern van de zaak
3.Het oordeel van het hof
Effe over, [appellant] , effe voor mij want ik ben natuurlijk niet voor niets meegegaan. Voor mij is het heel belangrijk dat die afspraak, dat jij je daar aan houdt. Dat is heel belangrijk. Weet je, wat je afgesproken hebt voor die 600.000 voor die achtergrond. Ik heb het geld geparkeerd. Dat je ook niet verder praat met Bolton en dat je zegt jongens het is verkocht. Snap je? Dat je niet nog verder gaat met hun om toch hun een beetje aan het lijntje te houden. Het is nu gewoon aan [naam2] gegund. Weet je, [naam2] doet met mij samen. En hij is er natuurlijk al getuige van geweest bij dat eerste gesprek. Ik ben er nu ook bij. Dus een mondelinge afspraak is ook een mondelinge afspraak. Snap je wat ik bedoel?”
En daar ga je wel mee akkoord dan hoop ik he”) met: “
Ja. Ja.”
Ja, dat gaan we doen. Ik zet mijn dingen, punten even neer. Op de mail”
“Ik heb wel een taxateur die dat voor mij wil doen”(pagina 22 productie 9 conclusie van antwoord). [appellant] heeft onvoldoende feiten en omstandigheden aangedragen om aan te nemen dat [geïntimeerde2] heeft moeten begrijpen dat [appellant] ter zake een voorbehoud heeft gemaakt. Verder volgt uit het feit dat [geïntimeerden] in eerste aanleg het standpunt hebben ingenomen dat zij gezamenlijk een koopovereenkomst met [appellant] hadden gesloten anders dan [appellant] betoogt niet dat [geïntimeerde2] er niet op heeft kunnen vertrouwen dat er (in ieder geval) met hem een koopovereenkomst tot stand is gekomen.
Uw rechtbank(het hof begrijpt: het hof) onjuist en/of onvolledig heeft geïnformeerd. [geïntimeerde2] doelt daarbij op het door [appellant] ingenomen standpunt dat hij niet handelde in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf. Het hof stelt vast dat [appellant] geen kennelijk ongegronde vordering heeft ingesteld. Evenmin is gebleken dat [appellant] bij het voeren van verweer of het instellen van hoger beroep misbruik van procesrecht heeft gemaakt of onrechtmatig heeft gehandeld. Niet gezegd kan worden dat [appellant] de waarheidsplicht van artikel 21 Rv Pro heeft geschonden door onwaarheden en/of onvolledige feiten aan te voeren. Het gevorderde is dus niet toewijsbaar.
4.De beslissing
- € 1.756,00 aan griffierecht,
- € 2.228,00 aan salaris van de advocaat van [geïntimeerde2] (2 procespunten x appeltarief II),
- € 163,00 aan nakosten (kosten die ontstaan na deze uitspraak);