Partijen zijn een samenwerking aangegaan waarbij appellant een pand zou kopen en herontwikkelen tot appartementen die geïntimeerde zou huren. Appellant stelde dat geïntimeerde onrechtmatig handelde door niet in december 2017 tot ondertekening over te gaan, waardoor hij schade leed.
De rechtbank wees de vorderingen af omdat de Raad van Toezicht goedkeuring moest geven en die goedkeuring pas in februari 2018 voorwaardelijk werd verleend. Het hof bevestigt dit oordeel en stelt vast dat er in december 2017 nog geen overeenstemming was over de huur- en samenwerkingsovereenkomst.
Het hof overweegt dat eerdere communicatie en afspraken onvoldoende concreet waren om van een definitieve overeenkomst te spreken. De onderhandelingen liepen door tot maart 2018, waarna de overeenkomsten werden ondertekend. RIBW heeft niet onrechtmatig gehandeld door de ondertekening uit te stellen.
Appellant kon niet aantonen dat geïntimeerde onvoldoende voortvarend was of onvoldoende rekening hield met zijn belangen. Ook het beroep op gewekt vertrouwen faalt. Het hoger beroep wordt verworpen en appellant wordt veroordeeld in de proceskosten.