Verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor rijden onder invloed van alcohol met een ademalcoholgehalte van 635 microgram per liter uitgeademde lucht. Tegen dit vonnis stelde verdachte hoger beroep in en voerde onder meer aan dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk zou moeten zijn vanwege de recidiveregeling in artikel 123b van de Wegenverkeerswet 1994, wat zou leiden tot dubbele bestraffing. Ook voerde zij aan dat het ademonderzoek niet rechtsgeldig was uitgevoerd omdat niet was aangetoond dat het ademanalyseapparaat werd bediend door een daartoe bevoegde ambtenaar.
Het hof oordeelde dat het openbaar ministerie ontvankelijk is, omdat geen sprake is van een uitzonderlijke situatie die een niet-ontvankelijkverklaring rechtvaardigt. De bestuursrechtelijke maatregelen die verdachte had ondergaan, zoals het EMA-onderzoek en het volgen van een cursus, staan vervolging niet in de weg. Het hof verwierp ook het verweer over de bevoegdheid van de opsporingsambtenaar die het ademonderzoek verrichtte, mede gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad.
Het hof achtte wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 7 juni 2020 onder invloed van alcohol een personenauto bestuurde met een ademalcoholgehalte van 635 microgram per liter. Verdachte werd veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van € 750,- en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid werd achterwege gelaten vanwege de reeds ondergane bestuursrechtelijke maatregelen en het tijdsverloop. Het vonnis van de politierechter werd vernietigd en het hof deed opnieuw recht.