De zaak betreft een hoger beroep van een huurder die een bedrijfsruimte had gehuurd om een restaurant te exploiteren. Door de coronapandemie en lekkages in het pand ontstond discussie over huurkorting en schadevergoeding. De huurder betaalde de huur niet volledig, waarop de verhuurder ontbinding en ontruiming vorderde.
De kantonrechter wees de vorderingen van de verhuurder toe en wees de vorderingen van de huurder af. Het hof bekrachtigt dit vonnis. Het hof oordeelt dat de huurder onvoldoende concreet heeft gesteld dat zij recht had op volledige huurkorting voor april en mei 2020, aangezien zij niet aannemelijk maakte dat eerdere lekkages het gebruik belemmerden. De herstelwerkzaamheden waren in november 2020 voltooid, waarna de huurder het pand weer kon betrekken.
De huurder kon geen aanspraak maken op huurvermindering vanwege schade aan vloer en bar, omdat zij de bedrijfsruimte casco huurde en deze zaken niet tot de verplichtingen van de verhuurder behoren. De huurder kon ook geen omzetschade aantonen, omdat zij niet had onderbouwd dat zij vóór de lekkage omzet draaide. De vermeerdering van eis tot schadevergoeding voor inventaris en bedorven eten wordt niet behandeld wegens ontbreken van betekening aan de verhuurder.
Het hof veroordeelt de huurder tot betaling van de proceskosten in hoger beroep, vastgesteld op nihil, en bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter.