Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoekster in hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De moeder en de gecertificeerde instelling (GI) stonden tegenover elkaar in hoger beroep over de voortzetting van een machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige [de minderjarige1]. De kinderrechter had eerder een machtiging verleend tot 29 maart 2022, nadat de minderjarige op 30 augustus 2021 uit huis was geplaatst.
Het hof overwoog dat ten tijde van de bestreden beschikking uithuisplaatsing noodzakelijk was vanwege ernstig schoolverzuim, blowen en onregelmatig verblijf van de minderjarige, waarbij de moeder onvoldoende grenzen kon stellen. Na de beschikking waren er echter positieve ontwikkelingen: de moeder werkte aan zichzelf en haar woning, accepteert hulpverlening, en de minderjarige gaat weer naar school en houdt zich aan afspraken.
Het hof concludeerde dat de wettelijke vereisten voor voortzetting van de machtiging niet langer aanwezig zijn. Daarom werd de machtiging tot uithuisplaatsing per 1 maart 2022 beëindigd, zodat de minderjarige kan terugkeren naar huis met intensieve ambulante gezinsbehandeling ter ondersteuning.
De bestreden beschikking werd deels bekrachtigd (tot 1 maart 2022) en deels vernietigd (voor de periode daarna). Het verzoek van de GI tot verlenging van de machtiging werd afgewezen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en werd op 15 februari 2022 uitgesproken.
Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing wordt per 1 maart 2022 beëindigd en het verzoek tot verlenging afgewezen.