ECLI:NL:GHARL:2022:136
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Hoger beroep kort geding
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering tot ontbinding huurovereenkomst wegens onvoldoende ernstige overlast
Appellante huurt een woning van Bo-Ex en ervaart sinds 2016 overlast van een buur die ook huurt van Bo-Ex. Ondanks bemiddeling en klachten heeft verhuurder geen ontbindingsprocedure tegen de buur gestart. Appellante verzocht in kort geding een voorlopige voorziening om verhuurder daartoe te verplichten, maar de kantonrechter wees dit af vanwege onvoldoende aannemelijkheid van ernstige overlast en geringe kans van slagen.
In hoger beroep bevestigt het hof dit oordeel. Uit een buurtonderzoek blijkt dat andere bewoners geen overlast ervaren van de buur, en de door appellante overgelegde verklaringen zijn onvoldoende overtuigend. De meeste klachten zijn van gering gewicht en video’s tonen geen overtuigend bewijs van ernstige overlast. Het ernstigste incident, een vermeende mishandeling, is onvoldoende duidelijk toe te rekenen aan de buur.
Het hof concludeert dat appellante onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de overlast zodanig ernstig is dat van verhuurder in redelijkheid kan worden gevergd een ontbindingsprocedure te starten, noch dat deze procedure een gerede kans van slagen heeft. Het hoger beroep wordt daarom afgewezen en appellante wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het hof wijst het hoger beroep af en bekrachtigt het vonnis dat verhuurder niet hoeft over te gaan tot ontbinding van de huurovereenkomst wegens onvoldoende ernstige overlast.