ECLI:NL:GHARL:2022:1392

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
23 februari 2022
Publicatiedatum
23 februari 2022
Zaaknummer
Wahv 200.285.098/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Beswerda
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:86 AwbArt. 4:87 AwbArt. 4:97 AwbArt. 4:98 AwbArt. 4:99 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen niet-ontvankelijkheid en proceskostenvergoeding in bestuursstrafzaak Wahv

De betrokkene stelde beroep in tegen de niet-ontvankelijkverklaring door de kantonrechter in een bestuursstrafzaak op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). Het hof oordeelde dat het recht op toegang tot de rechter was geschonden omdat de gemachtigde niet deugdelijk was opgeroepen voor de zitting, waardoor het appelverbod buiten toepassing moest worden gelaten en het hoger beroep ontvankelijk was.

Het hof vernietigde de beslissing van de kantonrechter en besloot de zaak zelf te behandelen zonder zitting, omdat de gemachtigde geen gebruik wilde maken van de zitting. Vervolgens beoordeelde het hof het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie over een proceskostenvergoeding.

De betrokkene stelde dat de vergoeding te laat was betaald en dat daarom extra vergoeding en wettelijke rente verschuldigd waren. Het hof oordeelde dat de betaling binnen de in de beschikking genoemde termijn van zes tot acht weken had plaatsgevonden en dat er geen sprake was van verzuim of wettelijke rente. Ook was er geen grond voor een extra vergoeding.

Daarom verklaarde het hof het beroep tegen de proceskostenvergoeding ongegrond en wees het verzoek om proceskostenvergoeding in hoger beroep af.

Uitkomst: Het hof verklaart het hoger beroep ontvankelijk, vernietigt de beslissing van de kantonrechter en wijst het beroep tegen de proceskostenvergoeding af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.285.098/01
CJIB-nummer
: 226086066
Uitspraak d.d.
: 23 februari 2022
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Limburg van 17 september 2020, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

gevestigd te [vestigingsplaats] (België).
De gemachtigde van de betrokkene is mr. N.G.A. Voorbach, kantoorhoudende te Zoetermeer.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Artikel 14 van Pro de Wahv bepaalt dat in twee situaties hoger beroep kan worden ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter:
- wanneer de sanctie bij de beslissing van de kantonrechter hoger is dan € 70,- of
- wanneer de kantonrechter het beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat geen (of niet op tijd) zekerheid is gesteld.
2. Van geen van deze situaties is hier sprake. De kantonrechter heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.
3. De gemachtigde van de betrokkene stelt zich op het standpunt dat het appelverbod buiten toepassing moet worden gelaten, nu hij noch de betrokkene is uitgenodigd voor de zitting van de kantonrechter.
4. In artikel 6 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) ligt het recht op toegang tot de rechter besloten. Wanneer een beroep wordt gedaan op schending van dit recht en dit beroep wordt gegrond bevonden, kan het wettelijk appelverbod buiten toepassing worden gelaten (vgl. het arrest van het hof van 12 juli 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:6402).
5. Artikel 12, eerste lid, van de Wahv luidt, voor zover hier van belang, als volgt:
“De kantonrechter stelt, alvorens te beslissen, partijen in de gelegenheid om op een (…) openbare zitting hun zienswijze nader toe te lichten. Zij worden daartoe door de griffier opgeroepen.”
6. In het dossier bevindt zich een - conform artikel 6:17 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) - aan de gemachtigde gerichte brief d.d. 22 juli 2020, waarin de griffier van de rechtbank de gemachtigde oproept voor de zitting van de kantonrechter op 3 september 2020. Niet blijkt uit een stempel, aantekening of anderszins dat deze brief van de griffier van de rechtbank daadwerkelijk aan de gemachtigde is verzonden. Ook blijkt niet dat deze brief aangetekend is verzonden. Nu de ontvangst van de brief door de gemachtigde wordt betwist en bij gebrek aan een deugdelijke verzendadministratie bij de rechtbank kan niet worden vastgesteld dat de brief is verzonden. Dat de gemachtigde behoorlijk is opgeroepen voor de zitting van de kantonrechter kan derhalve evenmin worden vastgesteld. Het voorgaande brengt mee dat artikel 12, eerste lid, van de Wahv en daarmee het recht op toegang tot de rechter in zoverre is geschonden. Het appelverbod moet daarom buiten toepassing worden gelaten. Het hoger beroep is ontvankelijk.
7. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter vernietigen en doen hetgeen de kantonrechter zou behoren te doen. Het hof zal de zaak niet op een zitting van het hof behandelen, omdat de gemachtigde in zijn hoger beroepschrift kenbaar heeft gemaakt af te zien van de gelegenheid om op een zitting in Leeuwarden te worden gehoord. Het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ligt thans ter beoordeling aan het hof voor.
8. De officier van justitie heeft, beslissende op het administratief beroep, de inleidende beschikking op 5 augustus 2019 vernietigd. Vervolgens heeft de officier van justitie, bij bestreden beslissing van 14 oktober 2019, beslist op het verzoek om een proceskostenvergoeding. De officier van justitie heeft overwogen dat hij een vergoeding voor proceskosten voor verleende rechtsbijstand toekent ten bedrage van € 256,-. Verder is vermeld dat het bedrag zal worden overgemaakt naar het van de gemachtigde bekende rekeningnummer en daarmee in de regel een termijn van zes tot acht weken is gemoeid.
9. De gemachtigde voert aan dat de officier van justitie zijn toezegging om de proceskostenvergoeding binnen acht weken over te maken niet is nagekomen, nu het bedrag pas op 11 februari 2020 is overgemaakt. De gemachtigde stelt dat dat moet leiden tot toekenning van een extra proceskostenvergoeding door de officier van justitie en wettelijke rente.
10. De volgende bepalingen zijn hier van belang.
- Artikel 4:86, eerste lid, van de Awb:
“De verplichting tot betaling van een geldsom wordt bij beschikking vastgesteld.”
- Artikel 4:87, eerste lid, van de Awb:
“De betaling geschiedt binnen zes weken nadat de beschikking op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, tenzij de beschikking een later tijdstip vermeldt.”
- Artikel 4:97 van Pro de Awb:
“De schuldenaar is in verzuim indien hij niet binnen de voorgeschreven termijn heeft betaald.”
- Artikel 4:98 van Pro de Awb:
“1. Het verzuim heeft de verschuldigdheid van wettelijke rente tot gevolg overeenkomstig de artikelen 119, eerste en tweede lid, en 120, eerste lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek.
2. Wettelijke rente is niet verschuldigd indien het bedrag ervan bij enige of laatste betaling minder bedraagt dan € 20, dan wel, indien het bestuursorgaan de schuldenaar is, € 10.”
- Artikel 4:99 van Pro de Awb:
“Het bestuursorgaan stelt het bedrag van de verschuldigde wettelijke rente bij beschikking vast.”
11. Uit het dossier volgt dat het bedrag van € 256,- op 9 december 2019 is overgemaakt naar de gemachtigde.
12. Naar het oordeel van het hof is met de overweging dat in de regel een termijn van zes tot acht weken is gemoeid met de betaling van het bedrag van de proceskostenvergoeding in de beslissing van de officier van justitie sprake van een later tijdstip als bedoeld in artikel 4:87, eerste lid, van de Awb. De officier van justitie had derhalve op grond van artikel 4:87, eerste lid, van de Awb het desbetreffende bedrag uiterlijk acht weken na zijn beslissing van 14 oktober 2019, dus op
9 december 2019, moeten betalen. Er is geen sprake van verzuim. Wettelijke rente is dan ook niet verschuldigd. Hierbij merkt het hof nog op dat op grond van artikel 4:98, tweede lid, van de Awb wettelijke rente niet is verschuldigd, indien het bedrag ervan bij enige of laatste betaling minder bedraagt dan € 10,-.
13. Naar het oordeel van het hof is er, gelet op het voorgaande, evenmin grond voor de stelling van de gemachtigde dat de officier van justitie een extra proceskostenvergoeding moet toekennen. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het hof aldus het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie van 14 oktober 2019 ongegrond verklaren alsmede het verzoek om een proceskostenvergoeding in hoger beroep afwijzen (vgl. het arrest van het hof van 1 april 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:3149).

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie van 14 oktober 2019 ongegrond;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Beswerda, in tegenwoordigheid van mr. Koldenhof-ten Kate als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.