ECLI:NL:GHARL:2022:1754

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
8 maart 2022
Publicatiedatum
8 maart 2022
Zaaknummer
20/01109
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 lid 2 Wet WOZ
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging WOZ-waarde woning na geschil over waardebepaling

Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning, gelegen aan een adres te een woonplaats, die door de heffingsambtenaar was vastgesteld op €283.000 per 1 januari 2018. Na een uitspraak van de rechtbank die het beroep ongegrond verklaarde, stelde belanghebbende hoger beroep in bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

In hoger beroep voerde belanghebbende aan dat de waarde te hoog was en stelde een waarde van €242.000 voor, onderbouwd met een waardematrix van zijn gemachtigde. De heffingsambtenaar verdedigde de oorspronkelijke waarde met een eigen waardematrix en vergelijkingsobjecten in de buurt.

Het hof onderzocht de gebruikte vergelijkingsobjecten, de inhoudsmetingen en de waarderingsmethodiek. Het achtte de inhoudsberekening van de heffingsambtenaar nauwkeuriger dan die van belanghebbende en vond dat de gehanteerde vergelijkingsobjecten goed vergelijkbaar waren. De marktprijzen van vergelijkbare woningen in de buurt ondersteunden de vastgestelde waarde.

Daarom oordeelde het hof dat de heffingsambtenaar aannemelijk had gemaakt dat de WOZ-waarde niet te hoog was vastgesteld en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd omdat het beroep niet kennelijk onredelijk was.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de WOZ-waarde van €283.000 bevestigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem
nummer 20/01109
uitspraakdatum:
8 maart 2022
Uitspraak van de derde enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende]te
[woonplaats](hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 27 oktober 2020, nummer UTR 19/5094, in het geding tussen belanghebbende en
de
heffingsambtenaarvan de
Belastingsamenwerking gemeenten en Hoogheemraadschap Utrecht(hierna: de heffingsambtenaar)

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De heffingsambtenaar heeft bij beschikking de WOZ-waarde van de onroerende zaak [adres1] 12 te [woonplaats] (hierna: de onroerende zaak) voor het kalenderjaar 2019, naar waardepeildatum 1 januari 2018, vastgesteld op € 283.000.
1.2.
De heffingsambtenaar heeft bij uitspraak op bezwaar van 21 oktober 2019 de vastgestelde waarde gehandhaafd.
1.3.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank MiddenNederland (hierna: de Rechtbank).
1.4.
De Rechtbank heeft bij uitspraak van 27 oktober 2020 het beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is op 13 november 2020 aan partijen verzonden.
1.5.
Belanghebbende heeft op 15 december 2020 tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.
1.6.
De heffingsambtenaar heeft op 30 maart 2021 een verweerschrift bij het Hof ingediend.
1.7.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 februari 2022. Namens belanghebbende is verschenen J.L.G. van Herk van Previcus Vastgoed. Namens de heffingsambtenaar is verschenen mr. [naam1] .

2.Feiten

Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaak. Het betreft een in 1970 gebouwde rijwoning met twee bergingen en een dakkapel. De woning heeft een inhoud van 339 m3. De perceeloppervlakte bedraagt 154 m².

3.Geschil

3.1.
In geschil is of de heffingsambtenaar de waarde van de onroerende zaak op een te hoog bedrag heeft vastgesteld. Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend, de heffingsambtenaar ontkennend.
3.2.
Belanghebbende staat in hoger beroep een waarde voor van € 242.000. Ter onderbouwing daarvan wijst belanghebbende op een waardematrix van zijn gemachtigde waarin de waarde per 1 januari 2018 is getaxeerd op € 242.000.
3.3.
De heffingsambtenaar verdedigt de vastgestelde waarde van € 283.000. Ter staving daarvan wijst de heffingsambtenaar op de in hoger beroep ingebrachte waardematrix waarin de waarde is getaxeerd op € 283.000.
3.4.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraken van de Rechtbank en de heffingsambtenaar en tot vermindering van de vastgestelde waarde. De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4.Beoordeling van het geschil

4.1.
Op grond van artikel 17, lid 2, Wet WOZ wordt de waarde bepaald op de waarde die aan de onroerende zaak dient te worden toegekend indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Daarbij heeft als waarde te gelden de waarde in het economische verkeer die dient te worden vastgesteld op de prijs die bij aanbieding ten verkoop op de voor de onroerende zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meestbiedende gegadigde voor de onroerende zaak zou zijn besteed (vgl. TK, vergaderjaar 1992-1993, 22885, nr. 3, blz. 44, en HR 8 augustus 2003, ECLI:NL:HR:2003:AI0924).
4.2.
Belanghebbende heeft gemotiveerd gesteld dat de vastgestelde waarde van € 283.000 te hoog is. Dit brengt mee dat op de heffingsambtenaar de last rust om feiten aannemelijk te maken die meebrengen dat de door hem verdedigde waarde niet te hoog is.
4.3.
Ter onderbouwing van de door hem verdedigde waarde wijst de heffingsambtenaar op de in hoger beroep ingebrachte waardematrix waarin vier in dezelfde buurt gelegen woningen als vergelijkingsobject zijn gebruikt ter bepaling van de waarde. In deze matrix zijn onderstaande vergelijkingsobjecten weergegeven:
Object
Bj
Woning
Perceel
Bijgebouwen
Waarde
Inhoud
Per m3
Totaal
Opp.
Per m2
Totaal
[adres1] 12
(rijwoning)
1970
339 m3
€ 481
€ 163.059
154 m2
€ 663
€ 102.044
Dakkapel € 4.000
Berging (5 m2) € 3.500
Berging (15 m2)€ 10.500
€ 283.000
(01-01-18)
Koopsom
[adres1] 16 (rijwoning)
1970
339 m3
€ 499
€ 169.212
147 m2
€ 678
€ 99.694
Berging (5 m2) € 3.500
€ 272.500
(03-01-18)
[adres1] 29 (hoekwoning)
1970
339 m3
€ 540
€ 183.178
240 m2
€ 514
€ 123.344
Dakkapel € 4.000
Garage € 15.300
€ 325.000
(02-11-17)
[adres2] 3 (rijwoning)
1970
339 m3
€ 571
€ 193.569
148 m2
€ 676
€ 100.089
Dakkapel € 4.000
Berging (5 m2) € 3.500
€ 301.000
(15-12-17)
[adres3] 21 (hoekwoning)
1970
343 m3
€ 705
€ 241.815
170 m2
€ 628
€ 106.704
Dakkapel € 4.000
Berging (11 m2) € 7.700
€ 385.000
(01-03-18)
4.4.
Ter onderbouwing van de door hem verdedigde waarde wijst belanghebbende op een waardematrix van zijn gemachtigde waarin is geconcludeerd tot een waarde van € 242.000. Daarin zijn dezelfde vier vergelijkingsobjecten als volgt weergegeven:
Object
Bj
Woning
Perceel
Bijgebouwen
Waarde
Inhoud
Per m3
Totaal
Opp.
Per m2
Totaal
[adres1] 12
(rijwoning)
1970
339 m3
€ 382
€ 129.654
149 m2
+ 5 m2 achter-om
€ 675
€ 100.575
Dakkapel € 4.000
Berging € 4.000
Berging € 4.000
€ 242.000
(01-01-18)
Koopsom
[adres1] 16 (rijwoning)
1970
354 m3
€ 486
€ 172.150
142 m2
+ 5 m2 achter-om
€ 675
€ 95.850
Berging € 4.000
€ 272.500
(03-01-18)
[adres1] 29 (hoekwoning)
1970
373 m3
€ 393
€ 146.500
240 m2
€ 654
€ 157.000
Dakkapel € 4.000
Garage € 17.500
€ 325.000
(02-11-17)
[adres2] 3 (rijwoning)
1970
363 m3
€ 363
€ 190.100
148 m2
€ 675
€ 99.900
Dakkapel € 4.000
Berging € 4.000
€ 301.000
(15-12-17)
[adres3] 21 (hoekwoning)
1970
377 m3
€ 515
€ 194.250
170 m2
€ 675
€ 114.750
Dakkapel € 4.000
Berging € 4.000
€ 385.000
(01-03-18)
4.5.
Belanghebbende heeft ter zitting verklaard dat het vergelijkingsobject [adres1] 16 een woninginhoud heeft van 339 m3. Verder acht het Hof aannemelijk dat de door de heffingsambtenaar gehanteerde inhoud van de overige vergelijkingsobjecten juist is. Deze inhoud is op 26 maart 2021 nagemeten aan de hand van de gegevens in de Basisregistratie Adressen en Gebouwen. Van deze nameting zijn per object meetstaten gemaakt die door de heffingsambtenaar zijn ingebracht. Deze inhoudsberekening acht het Hof nauwkeuriger dan belanghebbendes berekening met behulp van de website woningweter.nl, die is gebaseerd op hoogtekaarten en luchtfoto’s. Daarbij neemt het Hof mede in aanmerking dat uit de informatie op desbetreffende website volgt dat de nauwkeurigheid 97% is, zodat verschillen ook gelegen kunnen zijn in de beperkte nauwkeurigheid van de gebruikte rekentool (vgl. Hof ArnhemLeeuwarden 16 november 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:10720).
4.6.
Het Hof is van oordeel dat in het licht van hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd, de heffingsambtenaar erin is geslaagd aannemelijk te maken dat hij de waarde van de onroerende zaak per 1 januari 2018 ten bedrage van € 283.000 niet te hoog heeft vastgesteld. In dat verband hecht het Hof waarde aan de in de markt gerealiseerde koopprijzen van € 272.500 en € 301.000 voor de vergelijkingsobjecten [adres1] 16 en [adres2] 3. Eerstgenoemd object is in dezelfde straat gelegen, terwijl het tweede object op circa 100 meter afstand is gelegen. Beide vergelijkingsobjecten hebben hetzelfde bouwjaar (1970) en dezelfde inhoud (339 m3) en betreffen hetzelfde woningtype (rijwoning). Bovendien zijn de perceeloppervlakte (154 m2 versus 147/148 m²), de bouwtechnische kwaliteit (gemiddeld) en de uitstraling (gemiddeld) goed vergelijkbaar.
4.7.
Verder is het vergelijkingsobject [adres1] 16 goed vergelijkbaar wat betreft de onderhoudstoestand (gemiddeld) en de aanwezigheid van een achterom. Een door belanghebbende gesteld waardedrukkend effect door de aanwezigheid van een achterom is dus verdisconteerd in de koopprijs van dit vergelijkingsobject. Met een eventueel verschil in voorzieningenniveau heeft de heffingsambtenaar in voldoende mate rekening gehouden door bij de onroerende zaak een lagere waarde per m3 (€ 481 versus € 499) in aanmerking te nemen
.Het voorgaande leidt het Hof tot het oordeel dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde van de onroerende zaak niet te hoog is vastgesteld.
Slotsom
4.8.
Gelet op het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5.Proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. Anders dan de heffingsambtenaar heeft betoogd, ziet het Hof geen aanleiding om belanghebbende in de proceskosten te veroordelen. Redengevend daarvoor is dat geen sprake is van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht, nu ten tijde van het instellen van het hoger beroep niet evident was dat daarvan geen positief resultaat was te verwachten.

6.Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J.H. van Suilen, raadsheer, in tegenwoordigheid van drs. M.T.M. Hennevelt als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 maart 2022.
De griffier is verhinderd De raadsheer,
de uitspraak te ondertekenen.
(A.J.H. van Suilen)
Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op: 8 maart 2022
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.