In deze civiele zaak stond de ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen schoonmaker [verzoeker] en Hago Rail Services B.V. (HRS) centraal. De arbeidsovereenkomst was reeds ontbonden, waarna de vraag was of er sprake was van ernstig verwijtbaar handelen van een van de partijen, met mogelijke toekenning van een billijke vergoeding of verlies van de transitievergoeding.
De feiten betroffen onder meer een incident op de werkvloer, klachten over racisme en discriminatie, opgelegde loonstops, mediationpogingen en een aangifte wegens poging tot doodslag na ontbinding. De kantonrechter had de arbeidsovereenkomst ontbonden en een transitievergoeding toegekend, maar de billijke vergoeding afgewezen.
In hoger beroep stelde [verzoeker] dat HRS onvoldoende had opgetreden tegen discriminatie en dat de loonstop onrechtmatig was. Het hof oordeelde dat HRS niet ernstig verwijtbaar had gehandeld, mede omdat [verzoeker] niet eerder had geklaagd over discriminatie. Wel was de loonstop van december 2019 onterecht opgelegd, waardoor het loon over die periode alsnog moest worden betaald met een gematigde wettelijke verhoging.
Het incidenteel appel van HRS om de transitievergoeding terug te vorderen werd afgewezen, omdat het handelen van [verzoeker] niet als ernstig verwijtbaar werd aangemerkt. De slotsom was dat het hof de beschikking van de kantonrechter bekrachtigde, behalve de loonvordering die werd toegewezen. Beide partijen werden in de proceskosten veroordeeld.