ECLI:NL:GHARL:2022:2148
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek erfgenaam tot regeling beheer nalatenschap en bevoegdheid tot rechtsvorderingen
Na het overlijden van de erflater ontstond een geschil tussen de erfgenamen over de erfgrenzen van aangrenzende percelen en de vraag of een mede-erfgenaam door bevrijdende verjaring eigenaar is geworden van delen van het perceel. De verzoeker, erfgenaam voor de helft, verzocht het hof een regeling te treffen op grond van artikel 3:168 BW Pro, die hem bevoegd zou maken namens de nalatenschap een vaststellingsovereenkomst en een pachtovereenkomst aan te gaan en rechtsvorderingen tegen de andere erfgenamen in te stellen.
Het hof overweegt dat de verzoeker reeds bevoegd is om rechtsvorderingen ten behoeve van de nalatenschap in te stellen, maar dat dit in beginsel niet geldt tegenover mede-erfgenamen; dergelijke vorderingen moeten in de verdeling van de nalatenschap worden betrokken. Een uitzondering kan gelden als de vordering zich niet leent voor verdeling, maar dit moet de rechter beoordelen. Het hof acht het verzoek overbodig en onvoldoende onderbouwd.
Daarnaast oordeelt het hof dat het aangaan van een vaststellingsovereenkomst en pachtovereenkomst geen beheer in de zin van artikel 3:168 BW Pro betreft, maar onder andere handelingen valt die erfgenamen gezamenlijk moeten verrichten. De verzoeker heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze handelingen tot normale exploitatie van het onroerend goed behoren.
Gelet op de belangen van alle erfgenamen en het algemeen belang, en het bestaan van andere mogelijkheden om het geschil te beslechten, wijst het hof het verzoek af en bekrachtigt de beschikking van de kantonrechter. De kosten van het hoger beroep worden gecompenseerd vanwege de familierechtelijke relatie tussen partijen.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek van de erfgenaam af en bekrachtigt de beschikking van de kantonrechter.