Uitspraak
[de huurder],
[de verhuurder],
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Deze zaak betreft een geschil tussen een huurder en een voormalige verhuurder over de vraag of de huurder nog huurpenningen verschuldigd is en of de verhuurder energiekosten aan de huurder moet betalen. De huurder exploiteert een pizzeria in een bedrijfspand dat sinds 1 juni 2016 wordt gehuurd. De huurovereenkomst bevat bepalingen over energiekosten en betaling.
De huurder stelde dat hij energiekosten mocht verrekenen met de huurpenningen, maar het hof oordeelde dat dit niet contractueel is toegestaan. De vordering van de huurder tot betaling van energiekosten werd afgewezen vanwege onvoldoende feitelijke onderbouwing en onduidelijkheid over de berekening.
De verhuurder vorderde betaling van achterstallige huurpenningen. Het hof stelde vast dat huurpenningen die dateren van voor de ingangsdatum van de huurovereenkomst niet toewijsbaar zijn. Na aftrek van niet-onderbouwde posten resteerde een bedrag dat iets lager is dan het eerder toegewezen bedrag door de kantonrechter. Vanwege het verbod op reformatio in peius werd het oorspronkelijke bedrag gehandhaafd.
Het hof bekrachtigde het vonnis van de kantonrechter en compenseerde de proceskosten tussen partijen. Beide vorderingen van de huurder en verhuurder werden grotendeels afgewezen of beperkt toegewezen.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter en veroordeelt de huurder tot betaling van achterstallige huurpenningen, terwijl de vorderingen tot verrekening van energiekosten worden afgewezen.