ECLI:NL:GHARL:2022:2270

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
23 maart 2022
Publicatiedatum
23 maart 2022
Zaaknummer
Wahv 200.289.994/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • De Witt
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 5 WahvArtikel 8 Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging sanctie wegens geen dimlicht bij nacht ondanks overdracht scooter aan derde

De betrokkene kreeg een sanctie opgelegd voor het niet voeren van dimlicht bij nacht met een scooter die op zijn naam stond. Hij stelde dat hij het gebruik door een derde niet kon voorkomen omdat hij de scooter tijdelijk aan die derde had overgedragen en deze het kenteken niet had overgeschreven.

De kantonrechter wees het beroep af en het hof bevestigde dit oordeel. Het hof oordeelde dat de betrokkene het kenteken op zijn naam had gezet en de scooter met sleutel aan de derde had gegeven, waardoor hij het gebruik niet redelijkerwijs had kunnen voorkomen.

De betrokkene had geen aangifte gedaan en onvoldoende bewijs geleverd om te tonen dat het gebruik tegen zijn wil was. De situatie verschilde van eerdere jurisprudentie waar sprake was van diefstal of joyriding.

Het hof wees ook het verzoek om proceskostenvergoeding af en benadrukte dat de betrokkene het risico had genomen dat de scooter vóór overschrijving zou worden gebruikt en dat overtredingen konden plaatsvinden.

De sanctie van €95 blijft daarom van kracht en de betrokkene kan het bedrag eventueel verhalen op de derde.

Uitkomst: De sanctie van €95 voor het niet voeren van dimlicht wordt bevestigd omdat de betrokkene het gebruik door de derde niet redelijkerwijs kon voorkomen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.289.994/01
CJIB-nummer
: 223879195
Uitspraak d.d.
: 23 maart 2022
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank
Midden-Nederland van 22 december 2020, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. X.B. Sijmons, advocaat te Amersfoort.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De zaak is behandeld op de zitting van 9 maart 2022. De betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. X.B. Sijmons. De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door mr. [naam1] .

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 95,- voor: “geen dim of groot licht voeren bij nacht buiten de bebouwde kom.” Deze gedraging zou zijn verricht op 2 maart 2019 om 03:10 uur op de Radiumweg in Amersfoort met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De betrokkene stelt zich op het standpunt dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat de betrokkene geen geslaagd beroep kan doen op artikel 8, sub a, van de Wahv, nu onvoldoende is komen vast te staan dat de betrokkene het gebruik van de bromfiets niet heeft kunnen voorkomen. Een toenmalige vriend, [naam2] uit [plaats1] , had een bromfiets gekocht. Toen zij die samen gingen ophalen in de winkel in [plaats2] , bleek het kenteken niet op naam van [naam2] te kunnen worden gesteld. Het was de betrokkene toen niet duidelijk waarom dat zo was. [naam2] wilde de bromfiets wel graag meenemen. Om hem te helpen heeft de betrokkene toen aangeboden het kenteken van de scooter voor enkele dagen op zijn naam te zetten. [naam2] zou het kenteken enkele dagen later op zijn eigen naam overschrijven, maar heeft dat vervolgens geweigerd, wilde ook de scooter niet afgeven en heeft rijdend daarop een waslijst van ‘bekeuringen’ veroorzaakt die aan de betrokkene zijn opgelegd, waaronder de onderhavige sanctie. De betrokkene stelt zich onder verwijzing naar het arrest van het hof van 5 juli 2018 (ECLI:NL:GHARL:2018:6211) op het standpunt dat nu hij er vervolgens alles aan heeft gedaan om het illegale gebruik van de bromfiets door [naam2] te voorkomen, deze laatst overgebleven sanctie vernietigd dient te worden. Toen hij [naam2] niet meer kon bereiken heeft hij zich gewend tot diens moeder. [naam2] bleek ook voor haar onbereikbaar, hij was bij zijn vader gaan wonen. De politie Amersfoort heeft de scooter (opnieuw) onder [naam2] in beslag genomen, [naam3] , wijkagent [wijk] Amersfoort heeft over de gestelde gang van zaken een brief geschreven d.d. 19 januari 2021, het kenteken staat niet langer op naam van de betrokkene en kantonrechters hebben een streep door de andere 7 of 8 ‘bekeuringen’ gehaald. Zou hij deze sanctie moeten betalen, dan voelt dat als meten met twee maten. De betrokkene heeft ter zitting desgevraagd meegedeeld dat hij geen aangifte tegen [naam2] heeft gedaan en eerst heden van zijn advocaat heeft gehoord dat dit kon. De politie heeft hem niet op die mogelijkheid gewezen en had meer kunnen doen; ze wisten immers wie er op de bromfiets reed. Ook heeft de betrokkene meegedeeld niet meer te beschikken over de door hem bedoelde beslissingen van de kantonrechter.
3. Ter zitting van het hof heeft de vertegenwoordiger van de advocaat-generaal het standpunt gehandhaafd dat het redelijk is deze sanctie in stand te laten. De betrokkene heeft zijn betoog niet met stukken onderbouwd. Zij heeft bij het CJIB informatie opgevraagd. Indien een kantonrechter een beschikking vernietigd, dan staat dat gewoonlijk ook geregistreerd bij het CJIB. Op naam van de betrokkene is bij CJIB naast deze zaak echter maar één andere zaak bekend. In die zaak is beroep bij de officier van justitie ingesteld.
4. Gelet op de stukken in het dossier en in aanmerking genomen dat de betrokkene de gedraging niet ontkent, is naar het oordeel van het hof komen vast te staan dat de gedraging is verricht. Het hof dient nu te beoordelen of er andere redenen zijn een sanctie achterwege te laten of het bedrag van de sanctie te matigen.
5. Op grond van artikel 5 van Pro de Wahv kan de administratieve sanctie worden opgelegd aan degene op wiens naam het kenteken was ingeschreven in het kentekenregister ten tijde van de gedraging.
6. Artikel 8 van Pro de Wahv bevat een drietal uitzonderingen op de uit artikel 5 Wahv Pro voortvloeiende aansprakelijkheid, waaronder voor zover hier van belang de situatie (onder a) waarin degene op wiens naam het kenteken in het kentekenregister is ingeschreven aannemelijk maakt dat tegen zijn wil door een ander van het motorrijtuig gebruik is gemaakt en de betrokkene dit gebruik redelijkerwijs niet heeft kunnen voorkomen. De wetgever heeft bij deze uitzondering met name gedacht aan gevallen van joyriding of diefstal en uitdrukkelijk niet aan gevallen van toegestaan gebruik. In die laatste gevallen zal de ingeschrevene in het kentekenregister volgens de wetgever niet kunnen beweren, dat hij de feitelijke beschikkingsmacht onvrijwillig heeft verloren (Kamerstukken II, 1987-1988, 20329, nr. 3, blz. 44, waar wordt verwezen naar Kamerstukken II 1985-1986, 19405, nr. 3, blz. 10, en 1986-1987, 19405, nr. 6, blz. 20).
7. Uit het voorgaande volgt dat de betrokkene zich als kentekenhouder van het voertuig kan bevrijden van zijn aansprakelijkheid voor betaling van de sanctie voor gedragingen die met het op zijn naam staand voertuig zijn begaan, door met concrete feiten en omstandigheden aannemelijk te maken dat tegen zijn wil door een ander van het voertuig gebruik is gemaakt én dat de betrokkene dit gebruik redelijkerwijs niet heeft kunnen voorkomen.
8. Daar is de betrokkene niet in geslaagd. De betrokkene heeft het kenteken op zijn naam gesteld en heeft de scooter en sleutel ter beschikking gesteld aan [naam2] in plaats van met dat laatste te wachten totdat [naam2] het kenteken conform afspraak op zijn naam had laten overschrijven. Gelet daarop kon [naam2] de scooter gebruiken en is niet aannemelijk geworden dat de betrokkene het gebruik van de scooter redelijkerwijs niet heeft kunnen voorkomen. Vergelijking met de zaak ECLI:NL:GHARL:2018:6211 gaat niet op. In die zaak was sprake van een auto die op basis van een huurovereenkomst aan een derde ter beschikking was gesteld en niet werd teruggebracht. Anders dan in die zaak heeft de betrokkene de aangevoerde feiten en omstandigheden niet onderbouwd met een aangifte van kort na het moment waarop de gemaakte afspraken niet werden nagekomen of andere relevante documenten. De brief van de wijkagent is daartoe onvoldoende. Het hof merkt nog op dat de betrokkene in zijn beroepschrift van 29 januari 2021 heeft geschreven dat de moeder van [naam2] hem destijds heeft aangeraden aangifte te doen. De sanctie is daarom terecht aan de betrokkene als kentekenhouder opgelegd.
9. Het voorgaande brengt ook mee dat de betrokkene het risico op de koop toe heeft genomen dat al vóór overschrijving van het kenteken met de scooter zou worden gereden en dat daarmee verkeersovertredingen kunnen worden begaan. Dat laatste is gebeurd. Niet kan worden geoordeeld dat de gedraging heeft plaatsgevonden onder omstandigheden die het opleggen van een sanctie niet billijken. Dat kantonrechters de andere aan de betrokkene opgelegde sancties voor gedragingen of overtredingen die met de scooter zijn verricht hebben vernietigd of gematigd tot nihil, maakt dat, nog daargelaten dat dit niet aannemelijk is geworden, niet anders.
10. Het staat de betrokkene vrij om desgewenst te proberen het bedrag van de sanctie te verhalen op [naam2] . De kantonrechter heeft het beroep terecht ongegrond verklaard. Het hof zal de bestreden beslissing daarom bevestigen.
11. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, bestaat geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021, vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786).

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Smeitink als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.