Het hof heeft het hoger beroep behandeld tegen de beschikking van de kinderrechter die de machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarige kinderen verlengde. De moeder was het niet eens met de verlenging en verzocht om gedeeltelijke vernietiging en een kortere verlenging.
De kinderen staan sinds juni 2020 onder toezicht en zijn sinds maart 2021 uit huis geplaatst. De moeder werkte onvoldoende mee aan hulpverlening, wat leidde tot een moeizame samenwerking met hulpverleners. Ondanks een brief van een psycholoog die stelde dat de moeder in staat zou zijn de kinderen op te voeden, wekte deze brief vragen op vanwege gebrek aan inzicht in het onderzoek en timing van het GGZ-traject.
Het hof concludeert dat de zorgen over de opvoedsituatie en veiligheid van de kinderen onverminderd groot zijn. Het perspectiefonderzoek en het Kenniscentrum voor Kind en Echtscheiding traject moeten eerst worden afgerond voordat een thuisplaatsing kan worden overwogen. Gezien deze omstandigheden is verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing tot juni 2022 noodzakelijk en wordt de bestreden beschikking bekrachtigd.