De vader en moeder zijn de ouders van een minderjarige geboren in 2013, waarbij de biologische vaderschap onduidelijk is. De minderjarige stond van 2016 tot 2021 onder toezicht van een gecertificeerde instelling (GI). De GI had in 2018 een contactverbod tussen de minderjarige en zijn biologische vader opgelegd om een veilige hechting te bevorderen, wat door de rechter werd bevestigd.
De vader verzocht om wijziging van de zorg- en informatieregeling, maar deze verzoeken werden door de rechtbank afgewezen. De moeder woont met de minderjarige en nieuwe stiefvader in een gezinsverband. De GI vroeg om verlenging van de ondertoezichtstelling, maar dit werd door de kinderrechter afgewezen.
In hoger beroep verzoekt de vader de verlenging van de ondertoezichtstelling alsnog toe te wijzen en het gezamenlijk gezag te behouden met een informatieregeling. Het hof oordeelt dat de communicatie tussen de ouders ernstig verstoord is, waardoor gezamenlijk gezag onhoudbaar is en beëindiging noodzakelijk is om het belang van de minderjarige te beschermen.
Het hof constateert dat de minderjarige positieve ontwikkelingen doormaakt sinds de afstand tussen vader en kind is gebracht. De moeder wordt belast met eenhoofdig gezag en het verzoek tot een informatieregeling met dwangsom wordt afgewezen vanwege de negatieve dynamiek tussen de ouders. De verlenging van de ondertoezichtstelling wordt niet toegewezen omdat de bedreigingen voor de ontwikkeling van de minderjarige zijn weggenomen.
De bestreden beschikkingen van de rechtbank worden bekrachtigd en het hoger beroep wordt afgewezen.