AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens appelgrens bij vordering schadevergoeding
In deze civiele zaak gaat het om een vordering tot vergoeding van schade door een aanrijding in 2019, waarbij de vordering van Claimant niet hoger is dan €1.188,60. Claimant had de vordering gecedeerd gekregen en Schade Alert ingeschakeld voor de incasso. De rechtbank kende slechts een deel van de gevorderde schade toe en wees de administratiekosten van €275,- af.
Claimant kwam in hoger beroep tegen de afwijzing van de administratiekosten en stelde dat het appelverbod van artikel 332 lid 1 RvPro doorbroken moest worden vanwege schending van fundamentele rechtsbeginselen (artikel 6 EVRMPro). [Geïntimeerde] stelde dat de vordering onder de appelgrens viel en dat schending van fundamentele rechtsbeginselen geen doorbrekingsgrond is, en dat cassatie de juiste weg is.
Het hof oordeelde dat de appelgrens bedoeld is om kleine financiële belangen niet te belasten met hoger beroep, en dat schending van fundamentele rechtsbeginselen geen grond is om het appelverbod te doorbreken. De bijzondere omstandigheid dat Claimant belang hecht aan de vergoeding van administratiekosten is onvoldoende om de appelgrens te doorbreken. Daarom werd Claimant niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep.
Claimant werd veroordeeld in de proceskosten van [geïntimeerde]. Het hof wees het verzoek af om de zaak door te geleiden naar de Hoge Raad, omdat alleen een procespartij cassatie kan instellen. Het arrest werd op 5 april 2022 gewezen door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Uitkomst: Het hof verklaart het hoger beroep van Claimant niet-ontvankelijk wegens het niet overschrijden van de appelgrens van €1.750.
Voor de procedure bij de rechtbank verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 4 september 2020 en van 5 februari 2021, die de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Nijmegen, heeft gewezen.
2.Het geding in hoger beroep
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding in hoger beroep van 3 mei 2021,
- de memorie van grieven,
- de akte met niet-ontvankelijkheidsincident ex artikel 332 lid 1 RvPro van [geïntimeerde] ,
- de antwoordakte in het incident van Claimant.
2.2.
Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.
3.De motivering van de beslissing in hoger beroep
3.1.
Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 t/m 2.11 van het vonnis van 4 september 2020. In de kern gaat het om het volgende.
3.2.
In 2019 is de auto van de heer [de betrokkene] (hierna: [de betrokkene] ) aangereden door [geïntimeerde] . [de betrokkene] heeft zijn vordering tot vergoeding van de schade door de aanrijding gecedeerd aan Claimant, die op haar beurt Schade Alert Verzekerden Hulpdienst B.V. (hierna: Schade Alert) heeft ingeschakeld. Schade Alert heeft namens Claimant de geleden schade, onderverdeeld in diverse schadeposten, gevorderd bij ASR, de verzekeraar van [geïntimeerde] . ASR heeft de schade gedeeltelijk vergoed.
3.3.
Claimant heeft bij de rechtbank betaling door [geïntimeerde] gevorderd van € 1.188,60 voor de door ASR niet vergoede schadeposten. De kantonrechter heeft een deel van de vordering ter hoogte van € 624,73 toegewezen en onder meer de schadepost ‘administratiekosten’ van € 275,- afgewezen.
3.4.
Claimant is van dit vonnis in hoger beroep gekomen en is in haar memorie van grieven opgekomen tegen de afwijzing van de gevorderde administratiekosten. Zij heeft daartoe aangevoerd dat zij op de hoogte is van het feit dat haar vordering niet meer beloopt dan € 1.750,- en daarom op de voet van artikel 332 lid 1 RvPro geen hoger beroep van het vonnis openstaat, maar dat er reden bestaat voor doorbreking van het appelverbod. Claimant legt daaraan ten grondslag dat het oordeel van de kantonrechter tot afwijzing van de gevorderde administratiekosten in strijd is met artikel 6 EVRMPro omdat er geen sprake is geweest van een ‘fair hearing’en een ‘impartial tribunal’en dat een dergelijke schending volgens jurisprudentie van de Hoge Raad een doorbrekingsgrond van het appelverbod oplevert.
3.5.
[geïntimeerde] heeft in dit incident gevorderd Claimant niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering. Zij legt daaraan ten grondslag dat zowel de oorspronkelijke vordering van € 1.188,60 als de vordering in hoger beroep van € 275,-, ruim onder de appelgrens van € 1.750,- van artikel 332 lid 1 RvPro vallen. [geïntimeerde] voert voorts aan dat de door Claimant aangehaalde doorbrekingsjurisprudentie, ook waar die ziet op schending van fundamentele rechtsbeginselen, niet geldt voor het appelverbod van artikel 332 lid 1 RvPro. Indien er al sprake zou zijn van schending van fundamentele rechtsbeginselen – wat [geïntimeerde] betwist – had Claimant op grond van artikel 80 lid 1 ROPro cassatieberoep moeten instellen.
3.6.
Het hof oordeelt als volgt.
3.7.
De ratio achter de appelgrens van artikel 332 livPro 1 Rv is dat geen hoger beroep behoort open te staan in zaken waarvan het betrekkelijk geringe financiële belang niet opweegt tegen de tijd en kosten die gemoeid zijn met de behandeling van de zaak in hoger beroep. De uitsluiting van hoger beroep wordt in dit geval niet doorbroken door doorbrekingsgronden die hoger beroep wel mogelijk maken daar waar dat in bijzondere wetsbepalingen is uitgesloten. Ook een schending van fundamentele rechtsbeginselen is, anders dan Claimant stelt, geen grond voor doorbreking van de appelgrens van artikel 332 lid 1 RvPro. Uit jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat in een cassatieberoep op grond van artikel 80 lid 1 ROPro ruimte wordt geboden voor klachten over schending van fundamentele rechtsbeginselen en het daarom niet onaanvaardbaar is dat tegen een beslissing in een zaak met een waarde onder de appelgrens geen hoger beroep kan worden ingesteld. [1] Claimant heeft in haar akte voorts nog aangevoerd dat het achterliggende belang voor haar een grote financiële waarde vertegenwoordigt en het voor haar van belang is om te weten of de administratiekosten die zij standaard in rekening brengt (in andere gevallen) voor vergoeding in aanmerking komen. Vanwege deze bijzondere omstandigheid kan het appelverbod volgens Claimant worden doorbroken. Het hof volgt Claimant niet in haar stelling. Voor beantwoording van de vraag of de appelgrens van € 1750,- is gehaald, is enkel de totale vordering waarover de rechter in eerste aanleg in de betreffende procedure diende te oordelen van belang. Eventuele vorderingen met eenzelfde grondslag uit andere procedures worden niet meegewogen.
3.8.
Gelet op het voorgaande zal Claimant niet-ontvankelijk worden verklaard in haar hoger beroep.
3.9.
Claimant heeft het hof tot slot verzocht om de zaak ‘door te geleiden aan de cassatierechter’ op grond van artikel 80 lid 1 ROPro indien Claimant niet-ontvankelijk zou worden verklaard. Op grond van artikel 80 lid 1 ROPro kan alleen een procespartij cassatieberoep instellen. Het hof kan geen zaken waarin een onjuist rechtsmiddel is ingesteld doorverwijzen naar de Hoge Raad.
3.10.
Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof Claimant in de kosten van het hoger beroep veroordelen. De kosten aan de zijde van [geïntimeerde] worden begroot op:
- griffierecht € 338,-
- salaris advocaat € 393,50 (1/2 punt x appeltarief I)
4.De beslissing
Het hof, recht doende in hoger beroep:
verklaart Claimant niet-ontvankelijk in haar hoger beroep tegen de vonnissen van 4 september 2020 en 5 februari 2021 van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Nijmegen;
veroordeelt Claimant in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 338,- voor griffierecht en € 393,50 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. S.C.P. Giesen, D.M.I. de Waele en M.S.A. van Dam en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 5 april 2022.