ECLI:NL:GHARL:2022:2649

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
5 april 2022
Publicatiedatum
5 april 2022
Zaaknummer
200.300.267
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 lid 1 BWArt. 1:247 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging ondertoezichtstelling minderjarige ondanks verzet moeder

De vader en moeder oefenen gezamenlijk het gezag uit over hun minderjarige kind, dat bij de moeder woont. De rechtbank had op 25 juni 2021 bepaald dat de minderjarige onder toezicht wordt gesteld van een gecertificeerde instelling (GI) vanwege bedreigingen in de ontwikkeling van het kind.

De moeder ging in hoger beroep tegen deze beschikking en verzocht het hof de ondertoezichtstelling te vernietigen en af te wijzen. De raad voor de kinderbescherming en de vader voerden verweer en verzochten het hof de beschikking te bekrachtigen.

Het hof oordeelde dat de wettelijke vereisten voor ondertoezichtstelling zijn vervuld. De moeder werkt niet mee aan de uitvoering, waardoor onvoldoende zicht is op de thuissituatie en het kind geïsoleerd dreigt op te groeien. Ook de omgang tussen vader en kind is door de moeder belemmerd.

De GI gaf aan dat de ondertoezichtstelling door de opstelling van de moeder moeilijk uitvoerbaar is, maar achtte bekrachtiging noodzakelijk. Het hof volgde dit oordeel en bekrachtigde de beschikking, met de verwachting dat de GI alle beschikbare instrumenten zal inzetten om de situatie te verbeteren.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de ondertoezichtstelling van de minderjarige en wijst het hoger beroep van de moeder af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.300.267
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 520890)
beschikking van 5 april 2022
inzake
[verzoekster],
wonende te [woonplaats1] ,
verzoekster in hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. R.H. Wormhoudt te Ruinerwold,
en
de raad voor de kinderbescherming,
gevestigd te Utrecht,
verweerder in hoger beroep,
verder te noemen: de raad,
en
[verweerder],
wonende te [woonplaats1] ,
verweerder in hoger beroep,
verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. M.V. Scheffer te Utrecht.
Als overige belanghebbende is aangemerkt:
de gecertificeerde instelling
Stichting Samen Veilig Midden Nederland,
gevestigd te Utrecht,
verder te noemen: de GI.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 25 juni 2021, uitgesproken onder voormeld zaaknummer, verder ook: de bestreden beschikking.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met een productie, ingekomen op 23 september 2021;
- het verweerschrift van de raad;
- het verweerschrift van de vader;
- een journaalbericht van mr. R.H. Wormhoudt van 1 maart 2022 met producties.
2.2
De mondelinge behandeling in deze procedure heeft op 8 maart 2022, gelijktijdig met de behandeling in de procedure met zaaknummer 200.300.262, plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
-de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de raad;
-de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de heer [naam1] , namens de GI, via een videoverbinding.
2.3
Zoals tijdens de mondelinge behandeling is besproken laat het hof de door de moeder zelf ingediende brief met bijlagen van 3 maart 2022 buiten beschouwing. Dit omvangrijke en niet eenvoudig te doorgronden stuk is zonder noodzaak vlak voor de mondelinge behandeling ingekomen op de griffie van het hof. De andere partijen hebben deze brief niet ontvangen en dus ook niet (voldoende) kunnen kennisnemen van de bijlagen en hebben zich onvoldoende kunnen voorbereiden op een verweer daartegen.

3.De feiten

3.1
De vader en de moeder zijn de ouders van [de minderjarige] ( [de minderjarige] ), geboren te [woonplaats1] [in] 2014, over wie zij samen het gezag uitoefenen. De vader heeft [de minderjarige] , die bij de moeder woont, erkend.
3.2
Bij afzonderlijke beschikking van 25 juni 2021 heeft de rechtbank bepaald dat onder de regie van de GI een traject van begeleide omgang tussen [de minderjarige] en haar vader moet worden opgestart. Het beroep van de moeder tegen die beschikking is door het hof bij beschikking van heden verworpen.

4.De omvang van het geschil

4.1
Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de kinderrechter [de minderjarige] met ingang van 25 juni 2021 tot 25 juni 2022 onder toezicht gesteld van de GI.
4.2
De moeder is in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Zij verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het verzoek tot ondertoezichtstelling van [de minderjarige] alsnog af te wijzen.
4.3
De raad voert verweer en verzoekt het hof de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek in hoger beroep, dan wel dat verzoek ongegrond te verklaren met bekrachtiging van de bestreden beschikking.
4.4
De vader voert eveneens verweer en verzoekt het hof de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek in hoger beroep, dan wel dat verzoek af te wijzen.

5.De motivering van de beslissing

5.1
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling indien die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW, in staat zijn te dragen.
5.2
Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof na eigen onderzoek overneemt en tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat voldaan is aan de wettelijke vereisten van artikel 1:255, eerste lid, BW. Het hof voegt hier het volgende aan toe.
5.3
De in de bestreden beschikking beschreven bedreigingen in de ontwikkeling van [de minderjarige] zijn ondanks de uitgesproken ondertoezichtstelling nog steeds aanwezig.
Door de wantrouwende houding van de moeder ten opzichte van de betrokken instellingen en, zo bleek rondom de zitting bij het hof zelfs haar eigen advocaat, die desondanks de zaak ter zitting correct heeft behandeld, bestaat de zorg dat [de minderjarige] bij de moeder geïsoleerd opgroeit en wordt belemmerd in het ontwikkelen van zelfstandigheid. Doordat de moeder niet meewerkt aan de uitvoering van de ondertoezichtstelling is er onvoldoende zicht op de thuissituatie en kan hetgeen hierover door de moeder wordt gesteld niet worden geverifieerd. De moeder is er als gevolg van die opstelling dan ook niet in geslaagd om de bestaande zorgen weg te nemen.
Ook de afwijzende opstelling van de moeder ten opzichte van de vader is nog steeds zorgelijk en actueel. De moeder werkt niet mee aan de door de kinderrechter vastgestelde zorgregeling, zodat er nog geen omgang tussen [de minderjarige] en haar vader heeft plaatsgevonden.
In de bestreden beschikking heeft de kinderrechter overwogen dat nader onderzocht moet worden wat waar is van de verhalen die de moeder over de vader vertelt en dat beoordeeld moet worden of en hoe omgang tussen de vader en [de minderjarige] in [de minderjarige] ’s belang kan zijn. Gezien deze overweging begrijpt de moeder niet hoe de kinderrechter een zorgregeling heeft kunnen vaststellen zonder de uitkomst van dit onderzoek af te wachten. Naar het oordeel van het hof staat hetgeen door de kinderrechter is overwogen niet aan de vastgestelde zorgregeling in de weg. Het hof begrijpt de overweging van de kinderrechter zo dat de GI in het kader van de begeleide omgang meer zicht dient te krijgen op de situatie rondom de ouders en [de minderjarige] . Op basis hiervan kan de GI vervolgens beoordelen wat in het belang van [de minderjarige] is. Omdat de moeder niet meewerkt aan de omgang is dit voor de GI tot nu toe niet mogelijk gebleken.
5.4
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de GI aangegeven dat de ondertoezicht-stelling door de opstelling van de moeder op dit moment in feite onuitvoerbaar is. Toch is de GI van mening dat de beschikking waarbij de ondertoezichtstelling is uitgesproken bekrachtigd moet worden. Door de raad is naar voren gebracht dat de sleutel bij de moeder ligt en dat de moeder met haar gedrag niet in het belang van [de minderjarige] handelt.
Het hof is met de raad van oordeel dat de gronden voor de ondertoezichtstelling nog steeds aanwezig zijn en dat de opstelling van de moeder geen reden is om het verzoekt tot ondertoezichtstelling af te wijzen. Gelet op het voorgaande zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen. Het hof merkt wel op dat van de GI verwacht wordt dat zij alle haar ter beschikking staande instrumenten, waaronder zo nodig die van de schriftelijke aanwijzing, zal inzetten.

6.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland van 25 juni 2021 voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.
Deze beschikking is gegeven door mrs. P.B. Kamminga, M.H.H.A Moes en R. Feunekes, bijgestaan door mr. M.A. Mertens als griffier, is bij afwezigheid van de voorzitter getekend door mr. R. Feunekes en is op 5 april 2022 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.