Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
1.[geïntimeerde1] ,
1.Het verdere verloop van de procedure bij het hof
2.De beoordeling van het hoger beroep
de eigendom van het perceel grond met woning en verdere aanhorigheden:
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Deze civiele zaak betreft een burenruzie over de eigendom van een carport en oprit op een stuk grond naast de woning aan een adres te [woonplaats1]. De moeder (appellante) en haar zoon (geïntimeerde c.s.) zijn het oneens over wie eigenaar is van deze betwiste grond. De moeder stelt dat zij eigenaar is geworden door verkrijgende of extinctieve verjaring, terwijl de zoon stelt dat hij eigenaar is door overdracht.
De feiten tonen dat de moeder in 1965 een boerderij met grond verkreeg en in 1985 een deel van die grond aan haar zoon verkocht, waaronder het perceel waarop de carport en oprit liggen. In 1996 werd het achterhuis aan de zoon overgedragen en in 2017 verkocht de zoon het perceel met de carport en oprit aan geïntimeerde c.s. De moeder gebruikte de carport met toestemming van de zoon, waardoor zij houder en niet bezitter was.
De rechtbank wees de vorderingen van de moeder af en verklaarde de zoon eigenaar. Het hof bevestigt dit oordeel en oordeelt dat de koopovereenkomst en leveringsakte de overdracht van het gehele perceel, inclusief de betwiste grond, omvatten. De moeder is niet door verjaring eigenaar geworden omdat zij geen bezit met de pretentie van eigenaar had. Het beroep van de moeder faalt en het vonnis van de rechtbank wordt bekrachtigd.
Uitkomst: Het hof wijst het hoger beroep van de moeder af en bevestigt dat de zoon eigenaar is van de carport en oprit op zijn perceel.