Uitspraak
25 april 2022
[plaats](hierna: verzoekers)
De procedure
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De erven van de overleden belastingplichtige hebben een wrakingsverzoek ingediend tegen raadsheer Van Suilen van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Dit verzoek volgde op een procedure over de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor de jaren 2016 en 2017, die na vernietiging door de Hoge Raad was verwezen naar dit hof.
Verzoekers stelden dat de raadsheer zich ter zitting alleen op een deel van het geschil wilde richten en niet alle beroepsgronden zou behandelen. Tevens werd betoogd dat de raadsheer het geschil onterecht had uitgebreid, waardoor sprake zou zijn van vooringenomenheid. De wrakingskamer onderzocht deze klachten aan de hand van de relevante wettelijke bepalingen en jurisprudentie over rechterlijke onpartijdigheid.
De wrakingskamer oordeelde dat het verschil in opvatting over de omvang van het juridische geschil na verwijzing geen aanleiding geeft tot het vermoeden van partijdigheid. De raadsheer had toegelicht dat het hof gebonden is aan de verwijzingsopdracht van de Hoge Raad en dat de procedure niet volledig wordt overgedaan. Er waren geen zwaarwegende aanwijzingen voor vooringenomenheid of schending van het hoor en wederhoor.
De wrakingskamer wees het verzoek daarom af. Tegen deze beslissing is geen rechtsmiddel mogelijk. De uitspraak bevestigt het belang van de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van rechters, en benadrukt dat verschillen in procesopvatting niet snel tot wraking mogen leiden.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen raadsheer Van Suilen is afgewezen wegens gebrek aan objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid.