Dudok, een juridische dienstverlener, heeft juridische werkzaamheden verricht voor Rijnenburg Invest B.V. en daarvoor facturen gestuurd waarvan een deel onbetaald bleef. Dudok vorderde betaling van Rijnenburg en daarnaast aansprakelijkheid van Participatie Projects B.V., [betrokkene1] en appellant, die via een beheervennootschap enig aandeelhouder is. De kantonrechter wees de vordering toe tegen Rijnenburg, PP en appellant, maar wees de vordering tegen [betrokkene1] af.
Appellant betaalde het verschuldigde bedrag maar maakte bezwaar tegen de aansprakelijkheid. Het hof overweegt dat de Beklamel-norm vereist dat een vertegenwoordiger wist of redelijkerwijs had moeten begrijpen dat de vennootschap haar verplichtingen niet zou nakomen. Het hof oordeelt dat appellant dit niet wist, mede omdat facturen tot juli 2019 werden betaald door PP, de moedermaatschappij.
Dudok kon onvoldoende aantonen dat appellant onrechtmatig handelde door Rijnenburg de overeenkomst te laten aangaan, ondanks het ontbreken van eigen vermogen. Het hof vernietigt het vonnis van de kantonrechter voor zover het appellant betreft en wijst de vorderingen tegen appellant af. Dudok wordt veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.