ECLI:NL:GHARL:2022:3452

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
3 mei 2022
Publicatiedatum
3 mei 2022
Zaaknummer
200.283.896
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 46 lid 1 RvArt. 66 lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nietigheid exploot dagvaarding in hoger beroep wegens niet-tijdige kennisgeving

In deze civiele zaak gaat het om een geschil tussen erfgenamen over onrechtmatige onttrekking van gelden uit de nalatenschap van hun moeder. De rechtbank had appellanten veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding aan geïntimeerden. Appellanten stelden hoger beroep in, maar het exploot van dagvaarding in hoger beroep werd op een kantooradres achtergelaten aan een persoon die niet kon worden geïdentificeerd, waardoor de exploot niet tijdig bij de juiste partij is aangekomen.

Het hof oordeelt dat de deurwaarder niet heeft voldaan aan de vereisten van artikel 46 lid 1 Rv Pro, omdat het exploot niet aan de juiste persoon of een persoon die redelijkerwijs het exploot tijdig kon doorgeven is overhandigd. Dit heeft geleid tot onredelijke benadeling van geïntimeerden, die pas veertien dagen na het verstrijken van de beroepstermijn van het hoger beroep hoorden.

Herstel van het gebrek is niet meer mogelijk omdat de beroepstermijn is verstreken en appellanten hebben niet aangetoond dat zij op andere wijze tijdig hebben geïnformeerd. Daarom verklaart het hof het exploot nietig, verklaart appellanten niet-ontvankelijk in het hoger beroep en veroordeelt hen in de proceskosten.

Uitkomst: Het hof verklaart het exploot van dagvaarding in hoger beroep nietig en verklaart appellanten niet-ontvankelijk in het hoger beroep.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.283.896
(zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem NL19.1510)
arrest van 3 mei 2022
in de zaak van

1.[appellant]

wonende te [woonplaats1]
2.
[appellante]
wonende te [woonplaats1]
appellanten
in eerste aanleg: verweerders
hierna: [appellanten]
advocaat: mr. B.P.J. van Riel
tegen:

1.[geïntimeerde1]

wonende te [woonplaats1]
2.
[geïntimeerde2]
wonende te [woonplaats2]
3.
[geïntimeerde3]
wonende te [woonplaats3]
4.
[geïntimeerde4]
wonende te [woonplaats1]
5.
[geïntimeerde5]
wonende te [woonplaats4]
6.
[geïntimeerde6]
wonende te [woonplaats1]
7.
[geïntimeerde7]
wonende te [woonplaats1]
geïntimeerden
hierna: [geïntimeerden] c.s. (meervoud)
in eerste aanleg: eisers
advocaat: mr. Chr. Nome

1.Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep

Naar aanleiding van het arrest van 14 september 2021 heeft op 30 november 2021 een mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. Daarvan is een proces-verbaal gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd. Op die mondelinge behandeling hebben [appellanten] de behandelend raadsheren mr. J.H. Lieber (voorzitter), R. Prakke-Nieuwenhuizen en M.L. van der Bel gewraakt. Vervolgens is de mondelinge behandeling geschorst en is de zaak verwezen naar de wrakingskamer. De wrakingskamer heeft het verzoek tot wraking afgewezen (beslissing van de wrakingskamer van 5 april 2022). De mondelinge behandeling is voortgezet op 11 april 2022. Daarvan is een proces-verbaal gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd.

2.De kern van de zaak

[geïntimeerden] c.s zijn samen met hun broer [de broer] erfgenamen van hun moeder (hierna: erflaatster), die [in] 2015 is overleden. [geïntimeerden] c.s. hebben haar nalatenschap op 18 november 2015 beneficiair aanvaard. [appellante] is een kleindochter van erflaatster en een dochter van [de broer] , die in 2016 is overleden; [appellant] is haar echtgenoot. [appellanten] hebben vanaf januari 2009 de financiële belangen van erflaatster behartigd. [geïntimeerden] c.s. hebben de rechtbank gevraagd [appellanten] te veroordelen aan hen € 61.037,32 schadevergoeding te betalen. De rechtbank heeft in haar vonnis van 20 december 2019 geoordeeld dat [appellanten] onrechtmatig bedragen hebben onttrokken van de bankrekening van erflaatster. De rechtbank heeft in haar eindvonnis van 9 juni 2020 de schade begroot op € 45.461,43 en [appellanten] veroordeeld dit bedrag aan de kinderen van erflaatster te betalen (vermeerderd met wettelijke rente vanaf 22 januari 2019). De bedoeling van het hoger beroep van [appellanten] is dat het hof de toegewezen vordering alsnog zal afwijzen.

3.Het oordeel van het hof

3.1
Het hof moet allereerst beoordelen of - zoals [geïntimeerden] c.s. in hun memorie van antwoord voor al hun andere verweren aanvoeren – het exploot van de dagvaarding in hoger beroep nietig is. Als dat exploot nietig is zijn [appellanten] niet-ontvankelijk in hun hoger beroep en komt het hof niet toe aan beoordeling van hun bezwaren (grieven) tegen de vonnissen van de rechtbank.
3.2
[appellanten] hebben [geïntimeerden] c.s. gedagvaard en hoger beroep ingesteld tegen de vonnissen van de rechtbank van 20 december 2019 en 9 juni 2020. Op verzoek van [appellanten] heeft Mr. Elles de Blecourt-Bezema, toegevoegd gerechtsdeurwaarder (hierna: de deurwaarder), op 8 september 2020 het exploot van de dagvaarding in hoger beroep gedaan aan het kantoor van mr. Nome, de advocaat van [geïntimeerden] c.s., aan de Rijksstraatweg 239 in Haren (9752 CB), waar [geïntimeerden] c.s voor deze procedure woonplaats hebben gekozen.
3.3
Het kantoor van mr Nome is gevestigd op de tweede verdieping van een bedrijfsverzamelgebouw aan de Rijksstraatweg 239 in Haren. De voordeur van dit gebouw geeft toegang tot een hal waarin met pijlen is aangegeven waar de verschillende bedrijven en kantoren op de eerste en tweede verdieping zich bevinden. Er is geen algemene receptie. Achter de hal staan postvakjes voor de bedrijven die in het gebouw gevestigd zijn. De deurwaarder heeft een afschrift van het dagvaardingsexploot gelaten aan
‘mevrouw F.E. de Vries, aldaar werkzaam’. Mr. Nome heeft het exploot ongeveer veertien dagen na 8 september en dus na het verstrijken van de termijn van hoger beroep (9 september 2020) aangetroffen in het postvakje dat hij heeft in de ruimte achter de hal op de begane grond.
3.4
Wie mevrouw F.E. de Vries is, aan wie de deurwaarder een afschrift van het exploot heeft gelaten is - in deze procedure - niet komen vast te staan.
Mr. Nome heeft op de mondelinge behandeling verklaard dat hij niemand kent die zo heet en dat hij zonder resultaat navraag naar haar heeft gedaan bij een andere advocaat die kantoor houdt in het bedrijfsverzamelgebouw.
Ook mr. Van Riel weet niet wie mevrouw F.E. de Vries is. Aan mr. Van Riel is op de mondelinge behandeling gevraagd of hij nog contact heeft gehad met de deurwaarder over deze kwestie. Hij heeft verklaard:
“Ik heb even contact gehad met de deurwaarder, maar hij had hier geen actieve herinnering aan. (…) De deurwaarder weet het niet meer.”
Op vragen van het hof of de deurwaarder een ‘hij’ was en of mr. Van Riel ook contact heeft gehad met deurwaarder mevrouw De Blecourt-Bezema heeft mr. Van Riel geantwoord:
“Degene die ik aan de lijn had, was een man. (…) Ik heb geen contact gehad met Bezema.”
3.5
Het hof is van oordeel dat de deurwaarder het afschrift van het dagvaardingsexploot niet overeenkomstig artikel 46 lid 1 Rv Pro heeft gelaten aan de persoon voor wie het bestemd is en ook niet aan een huisgenoot of een persoon van wie aannemelijk is dat deze zal bevorderen dat het afschrift degene voor wie het exploot is bestemd tijdig bereikt. De niet-naleving van het voorschrift van artikel 46 lid 1 Rv Pro brengt slechts de nietigheid van het exploot mee voor zover aannemelijk is dat degene voor wie het exploot bestemd is door het gebrek onredelijk wordt benadeeld (artikel 66 lid 1 Rv Pro). Dit rechtsgevolg is alleen op zijn plaats indien en voor zover dat gewenst is in verband met de bescherming van de belangen waarop de geschonden norm betrekking heeft. [1]
3.6
De toetsing of in een concreet geval van onredelijke benadeling sprake kan zijn, moet allereerst geschieden door de deurwaarder die het eerste exploot uitbrengt (
Parl. Gesch. Burgerlijk Procesrecht2002, p. 216 (nr. 3)). Die toetsing is in dit geval niet mogelijk dan wel zinvol, omdat namens [appellanten] is verklaard:
“de deurwaarder weet het niet meer”.
3.7
Het is aan rechter overgelaten om uit te maken of al dan niet tot uitspraak van de nietigheid dient te worden overgegaan, waarbij de aard van het gebrek een belangrijke rol kan spelen (
Parl. Gesch. Burgerlijk Procesrecht2002, p. 216 (nr. 3)). Artikel 46 Rv Pro strekt ertoe te waarborgen dat het exploot degene voor wie het is bestemd tijdig bereikt. Dat is hier niet gebeurd. Daardoor zijn [geïntimeerden] c.s. niet beschermd in de belangen waarop artikel 46 lid 1 Rv Pro betrekking heeft. Het hof is van oordeel dat zij door het gebrek in het exploot onredelijk zijn benadeeld, omdat zij niet tijdig, dat is binnen de beroepstermijn op de hoogte zijn geraakt van het hoger beroep van [appellanten] , maar daarvan pas veertien dagen later hoorden. Herstel van het gebrek van dit exploot is niet meer mogelijk, omdat de beroepstermijn voor het uitbrengen van een dagvaarding verstreken is. Niet is gebleken dat [appellanten] [geïntimeerden] c.s. op een andere manier tijdig hebben geïnformeerd dat zij hoger beroep instellen, bijvoorbeeld door een email of een telefonisch contact.
3.8
Het hof zal het exploot van de dagvaarding in hoger beroep nietig verklaren, [appellanten] niet-ontvankelijk verklaren in dit hoger beroep en hen als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten in deze procedure in hoger beroep.

4.De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:
4.1
verklaart het exploot van dagvaarding in hoger beroep van deurwaarder mr. Elles de Blecourt-Bezema van 8 september 2020 nietig;
4.2
verklaart [appellanten] niet-ontvankelijk in hun hoger beroep;
4.3.
veroordeelt [appellanten] tot betaling van de volgende proceskosten van [geïntimeerden] c.s.:
  • € 760,- aan griffierecht
  • € 6.093,- aan salaris van de advocaat van [geïntimeerden] c.s. (3 procespunten x appeltarief IV)
Al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Lieber, R. Prakke-Nieuwenhuizen en M.L. van der Bel en in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 3 mei 2022.

Voetnoten

1.HR 16 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ2593,