ECLI:NL:GHARL:2022:3662

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
10 mei 2022
Publicatiedatum
10 mei 2022
Zaaknummer
200.299.012
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a lid 4 BWArt. 1:377e BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging zorgregeling na echtscheiding voor tweeling van acht jaar

Na de echtscheiding in 2017 van de ouders van een in 2013 geboren tweeling, is een zorgregeling overeengekomen waarbij de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de moeder hebben en om de week een deel van de week bij de vader verblijven. De rechtbank stelde een gewijzigde zorgregeling vast, waarbij de kinderen in de ene week van woensdag uit school tot vrijdagochtend en in de andere week van woensdag tot zondagavond bij de vader verblijven.

De moeder ging in hoger beroep tegen deze wijziging, stellende dat de kinderen de langere aaneengesloten verblijfsperiode bij de vader te belastend vinden en dat zij spanningsklachten vertonen. De vader en de raad voor de kinderbescherming stelden dat de regeling goed verloopt en in het belang van de kinderen is. Beide ouders volgen een hulpverleningstraject om de communicatie te verbeteren.

Het hof oordeelt dat de regeling, die al ruim negen maanden wordt uitgevoerd, moet worden voortgezet. De kinderen zijn oud genoeg om de verblijfsregeling aan te kunnen en het is belangrijk dat beide ouders een wezenlijk aandeel in de opvoeding en verzorging hebben. Het hof benadrukt het belang van respectvolle communicatie tussen ouders en andere opvoeders om loyaliteitsproblemen bij de kinderen te voorkomen.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de zorgregeling waarbij de kinderen om de week woensdag tot zondag bij de vader verblijven.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.299.012
(zaaknummer rechtbank Gelderland 378264)
beschikking van 10 mei 2022
inzake
[verzoekster],
wonende te [woonplaats1] ,
verzoekster in hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. M.G.W.M. Geurts te Duiven,
en
[verweerder],
wonende te [woonplaats1] ,
verweerder in hoger beroep,
verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. G.W. Wullink te Doetinchem.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 7 januari 2021 en 19 mei 2021, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. De beschikking van 19 mei 2021 zal verder ook worden genoemd: de bestreden beschikking.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het beroepschrift, ingekomen op 18 augustus 2021;
  • het verweerschrift met producties;
  • een journaalbericht van mr. Wullink van 23 maart 2022 met producties, en
  • een journaalbericht van mr. Geurts van 25 maart 2022 met producties.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 5 april 2022 plaatsgevonden.
Verschenen zijn:
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
  • de vader, bijgestaan door zijn advocaat, en
  • een vertegenwoordiger namens de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad).

3.De feiten

3.1
Het huwelijk van de partijen is [in] 2017 ontbonden door echtscheiding.
3.2
De moeder en de vader zijn de ouders van de [in] 2013 in [plaats1] geboren tweeling:
  • [de minderjarige1] (verder: [de minderjarige1] ), en
  • [de minderjarige2] (verder: [de minderjarige2] ),
over wie de zij gezamenlijk het gezag uitoefenen.
3.3
De ouders hebben afspraken gemaakt over de verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . Deze afspraken zijn neergelegd in het echtscheidingsconvenant, dat door de ouders is ondertekend op 2 maart 2018. Dit echtscheidingsconvenant is aan de echtscheidingsbeschikking van 28 maart 2017 gehecht.
De ouders zijn in dit echtscheidingsconvenant - onder meer - overeengekomen dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] hun hoofdverblijfplaats bij de moeder hebben. Ook zijn zij een regeling ter verdeling van de zorg en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) overeengekomen, inhoudende dat de kinderen vanaf het moment dat zij naar school gaan, tenzij partijen anders overeenkomen:
  • om de week een weekend van vrijdag na school tot zondag 16.30 uur en elke week vanaf woensdag na school tot donderdagochtend bij de vader verblijven, en
  • dat de moeder de kinderen naar de vader brengt en de vader de kinderen weer terug naar de moeder brengt, met uitzondering van die momenten dat de kinderen van en naar school gaan.
Tevens is in het echtscheidingsconvenant een regeling opgenomen ten aanzien van de vakanties en feestdagen.

4.De omvang van het geschil

4.1
Tussen partijen is in geschil de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken.
Bij de bestreden beschikking is door de rechtbank - uitvoerbaar bij voorraad - als zorgregeling vastgesteld dat de kinderen in de ene week van woensdag uit school tot vrijdagochtend naar school en in de andere week van woensdag uit school tot zondagavond 18.00 uur bij de vader verblijven.
4.2
De moeder is met één grief in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking, omdat zij het niet eens is met de wijziging van de zorgregeling zoals door de rechtbank vastgesteld. De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende het verzoek van de vader af te wijzen dan wel een zorgregeling vast te stellen die het hof in het belang van de kinderen juist acht.
4.3
De vader voert verweer en vraagt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5.De motivering van de beslissing

5.1
Ingevolge artikel 1:253a lid 4 van het Burgerlijk Wetboek (BW) in samenhang met artikel 1:377e BW kan de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen een beslissing inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag alsmede een door de ouders onderling getroffen regeling daarover wijzigen op de grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
De rechter neemt een beslissing die hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt. De rechter dient bij zijn beslissing alle omstandigheden van het geval in acht te nemen, wat er ook toe kan leiden dat andere belangen zwaarder wegen dan het belang van het kind, hoezeer ook dat belang een overweging van de eerste orde dient te zijn bij de afweging van belangen.
5.2
De moeder stelt dat de kinderen alleen een verlenging van het verblijf bij de vader op woensdag uit school tot donderdag naar school wensten in aanloop naar het weekend waarin zij bij de moeder verblijven, maar niet in de week in aanloop naar het weekend bij de vader. Volgens de moeder vinden de kinderen de aaneengesloten periode van woensdag na school tot zondagavond bij de vader te lang. Zij stelt dat de kinderen overstuur waren door de beslissing van de rechter en dat het enige tijd heeft gekost om de kinderen aan deze zorgregeling te laten wennen. De kinderen hebben nog steeds moeite met de uitvoering van de zorgregeling. Met name [de minderjarige2] heeft regelmatig last van buikpijn. Het ging beter met de kinderen in de periodes dat zij weer langer bij haar hebben verbleven in verband met het feit dat er een halfbroertje bij de vader is geboren en gedurende de coronaperiode. De vader is volgens de moeder niet genoeg beschikbaar tijdens het verblijf van de kinderen bij hem. De kinderen vertellen haar dat ze het verblijf bij de vader prettig vinden als hij zelf aanwezig is en dat ze er last van hebben dat de nieuwe partner van de vader zich nog altijd negatief over hun moeder uitlaat.
De moeder stelt dat zij veel heeft geïnvesteerd in verbetering van de communicatie. Het hulpverleningstraject dat zij met de vader volgt bij [naam1] ervaart zij als helpend. De partner van de vader staat alleen niet open voor verbetering van de communicatie. De kinderen volgen een hulpverleningstraject bij [naam2] . Daar wordt gezegd dat er een brug tussen de ouders moet worden gevormd.
5.3
De vader voert verweer en stelt dat de door de rechtbank vastgestelde regeling al geruime tijd wordt uitgevoerd en goed verloopt. De kinderen waren vroeger voor zijn gevoel meer op bezoek in zijn gezin en wonen nu een deel van de tijd echt bij hem in zijn gezin. Hij vindt dat de regeling meer rust heeft gebracht en hij vindt het ook prettig om meer zorgtaken voor de kinderen op zich te kunnen nemen. De kinderen doen het goed op school en zijn open. De vader vindt dat de door de rechtbank vastgestelde regeling moet worden voortgezet en verwacht dat het terugdraaien van de regeling een negatief effect op de kinderen zal hebben. Hij bevestigt dat de kinderen soms moeite hebben met de wisseling van hun verblijf bij de ene ouder naar de andere ouder, maar dat hij dit altijd goed weet op te lossen. De wisselingen waarbij [de minderjarige1] en [de minderjarige2] uit school naar de andere ouder gaan verlopen makkelijker. Dat de kinderen volgens de moeder spanningen ervaren kan er op duiden dat de kinderen toch last hebben van een loyaliteitsconflict. De vader ervaart het hulpverleningstraject bij [naam1] ook als helpend.
5.4
De raad adviseert de huidige regeling te handhaven. De regeling past bij de leeftijd van de kinderen en er zijn geen zorgen over de ontwikkeling van de kinderen. Dat de kinderen soms last hebben van buikpijn of nagelbijten hoeft niet gerelateerd te zijn aan de gewijzigde zorgregeling maar kan ook een andere oorzaak hebben. De kinderen kunnen bijvoorbeeld ook voelen dat de moeder moeite heeft met de uitvoering van de zorgregeling. De vader zal oog moeten houden voor de rol van zijn nieuwe partner in de opvoeding van de kinderen. Het is belangrijk om te achterhalen waar de spanningen bij de kinderen vandaan komen. Hier kan aandacht aan besteed worden in het hulpverleningstraject van de kinderen en in contact met school.
5.5
Het hof is van oordeel dat de regeling die de rechtbank heeft vastgesteld en die inmiddels al ruim negen maanden wordt uitgevoerd, moet worden voortgezet. Beide ouders hebben verklaard dat de uitvoering van de regeling redelijk goed verloopt. De kinderen zijn inmiddels achtenhalf jaar oud en het hof gaat er daarom van uit dat zij een verblijf van woensdag tot zondagavond bij de vader om de week goed aankunnen. Voor een evenwichtige ontwikkeling van de kinderen is het goed dat beide ouders een wezenlijk aandeel hebben in hun opvoeding en verzorging en dat is nu daadwerkelijk het geval.
De ouders doen beiden hun best om de communicatie met elkaar te verbeteren. Zij volgen een intensief traject en dat heeft ook al tot verbetering van de situatie geleid. Het is belangrijk dat de ouders hiermee doorgaan, omdat overleg nog steeds wel stroef verloopt en de moeder van mening is dat de kinderen spanningsklachten hebben.
Het hof ziet geen bijzondere aanleiding om de kinderen te horen. De raad heeft in eerste aanleg onderzoek gedaan en de mening van de kinderen in zijn advies meegenomen en teruggekoppeld.
Uiteindelijk zal ook moeten worden geprobeerd om de verstandhouding tussen de moeder en de nieuwe partner van de vader te verbeteren. De partner van de vader zal hierin ook moeten gaan investeren, want de ouders en andere opvoeders van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] zullen nog vele jaren met elkaar verder moeten. Voorkomen moet worden dat de kinderen loyaliteitsproblemen gaan ontwikkelen. Het is van grote waarde voor de kinderen dat hun ouders en andere opvoeders elkaar respecteren en kunnen overleggen over hun opvoeding en verzorging.
5.6
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen.

6.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 19 mei 2021;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J.B. de Groot, R. Feunekes en D.J.M. van de Voort, bijgestaan door de griffier, en is op 10 mei 2022 uitgesproken door mr. Feunekes in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.