Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
Bewilligingsverzoek 21/210210
de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM),
beklaagde,
klagers,
Het procesverloop na de eerdere beschikking
Inleiding
De visie van partijen
concreette duchten levensgevaar is vereist, vindt geen steun in de wettelijke delictsomschrijving en evenmin in jurisprudentie. Voor een bewezenverklaring volstaat dat levensgevaar naar objectieve maatstaven te duchten is geweest, oftewel dat ten tijde van de gevaarzettende gedraging naar algemene ervaringsregels voorzienbaar was dat dit gevaar kon intreden. Daarbij gaan klagers uit van voorzienbaarheid voor de 'normale mens', waarbij als maatstaf een 'onverhoedse confrontatie met gevaar ten gevolge van een aardbeving' zou kunnen worden gehanteerd. Een redelijke wetstoepassing leidt ertoe dat ieder potentieel levensgevaar, ongeacht de kans op verwezenlijking daarvan, behoort te worden aangemerkt als een te duchten levensgevaar in de zin van artikel 170 Sr Pro.
abstractegevaarzetting volstaat voor een bewezenverklaring, van oordeel is dat daarvoor
concretegevaarzetting is vereist, bieden de kennelijke noodzaak voor een grootschalige versterking van woningen en de geconstateerde acuut onveilige situaties voldoende grond voor de conclusie dat ook daarvan sprake is geweest, aldus klagers.
Het oordeel van het hof
ten aanzien van klagerslevensgevaar te duchten is geweest. Het hof heeft het nader onderzoek bevolen om te kunnen vaststellen of er
ten aanzien van iedere individuele klagervoldoende bewijs voor overtreding van artikel 170, aanhef en onder 2 Sr, kan worden verzameld. Het hof heeft de vervolgings- en onderzoeksopdracht dus uitdrukkelijk beperkt tot de individuele klagers. Gezien het karakter van de artikel 12 Sv Pro-procedure, waarin slechts een rechtstreeks belanghebbende beklag kan doen over het niet vervolgen van een vermeend strafbaar feit, is een ruimere vervolgingsopdracht ook niet denkbaar. Overigens zou een dergelijk ruime vervolging zich ook niet verhouden met het vereiste van artikel 261 Sv Pro dat in een (eventueel te formuleren) tenlastelegging het aan de beklaagde gemaakte verwijt in voldoende mate moet zijn geconcretiseerd.
ten aanzien van een of meer individuele klagerslevensgevaar te duchten is geweest als gevolg van de door beklaagde veroorzaakte vernieling c.q. beschadiging van gebouwen.
pogingtot het plegen van het delict van artikel 170, aanhef en onder 2, Sr. Een poging tot het plegen van dit delict zou veronderstellen dat beklaagde zou hebben geprobeerd een bouwwerk te vernielen of te beschadigen, als gevolg waarvan levensgevaar te duchten was geweest wanneer het tot een voltooid delict was gekomen. Niet in geding is dat zich (voltooide) beschadigingen als gevolg van de gaswinning hebben voorgedaan. Daarom kan ten aanzien van deze beschadigingen niet van een poging tot het veroorzaken ervan worden gesproken. Voor zover klagers stellen dat bepaalde schade die levensgevaar in het leven had kunnen roepen niet is opgetreden, maar dat beklaagde niettemin een begin van uitvoering heeft gegeven aan het aanrichten daarvan, ziet het hof daarvoor in de stukken geen aanknopingspunten.