Uitspraak
wonende te [woonplaats] ,
wonende te [woonplaats] ,
gevestigd te Utrecht,
gevestigd te Den Haag,
1.De prejudiciële procedure
2.Beantwoording van de prejudiciële vragen
Inleiding
- i) de gronden waarop de aansprakelijkheid van NAM, EBN en de Staat kan berusten (vragen 1, 2, 3 en 4) en het verband tussen de grond voor aansprakelijkheid en de omvang van de schadevergoedingsverplichting (vraag 1);
- ii) de (vormen van) schade die voor vergoeding in aanmerking kan (kunnen) komen (vragen 6, 7, 8 en 9); en
- iii) de strekking van het bewijsvermoeden van art. 6:177a BW en de vereisten voor de weerlegging van dit bewijsvermoeden (vraag 5).
- i) Sinds de jaren zestig van de twintigste eeuw wordt gas gewonnen uit het Groningenveld.
- ii) Na de vondst van het gas in het Groningenveld heeft de toenmalige minister van Economische Zaken op 11 juli 1962 een nota aan de Tweede Kamer gezonden waarin hij een overzicht gaf van de betekenis van de aardgasvondsten in de provincie Groningen voor de energievoorziening in het algemeen en de gasvoorziening in het bijzonder, van de in verband hiermee gevoerde onderhandelingen en van de consequenties die hieruit zouden moeten voortvloeien voor het beleid ten aanzien van de afzet van dit gas en de organisatie van deze gasafzet.
Artikel 1. Doel en duur.
- iv) Bij koninklijk besluit van 30 mei 1963, nr. 39 (Stcrt. 126) is aan NAM de aardgas- en aardolieconcessie ‘Groningen’ verleend (hierna: de concessie). Op grond van deze concessie wint NAM gas uit het Groningenveld.
- v) De gaswinning veroorzaakt bodemdaling en aardbevingen. De aardbevingen zijn in de loop van de tijd in frequentie en zwaarte toegenomen. De zwaarte van de aardbevingen is in sommige gevallen zodanig dat zij leidt tot fysieke schade aan onroerende zaken.
- vi) Op 16 augustus 2012 heeft bij Huizinge (gemeente Loppersum) een aardbeving plaatsgevonden met een kracht van 3,6 op de schaal van Richter. Daags daarvoor, op 15 augustus 2012, heeft een aardbeving met een kracht van 2,4 op de schaal van Richter plaatsgevonden bij Leermens.
- vii) Naar aanleiding van de aardbeving bij Huizinge heeft de rijksinspectiedienst Staatstoezicht op de Mijnen (hierna: SodM) onderzoek gedaan naar de aardbevingsgevoeligheid in het Groningenveld. SodM heeft zijn bevindingen in een brief van 22 januari 2013 aan het ministerie van Economische Zaken kenbaar gemaakt. SodM schrijft in die brief dat de toegenomen gasproductie sinds 2000 niet alleen heeft geleid tot een toename van het aantal aardbevingen, maar ook tot een grotere kans op zwaardere aardbevingen. SodM verwacht niet dat het aantal aardbevingen op korte termijn zal afnemen; alleen door de gasproductie drastisch te verminderen of zelfs te stoppen, is volgens SodM te verwachten dat na enkele jaren vrijwel geen voelbare aardbevingen meer zullen optreden in het Groningenveld. SodM rapporteert verder dat NAM, KNMI en SodM zelf het erover eens zijn dat een relatie bestaat tussen het productieniveau en het aantal en de sterkte van de aardbevingen. SodM stelt vast dat vermindering van de gasproductie tot een evenredige vermindering van het aantal aardbevingen leidt en dat bij een ongewijzigde gasproductie in 2013/2014 een kans van 7% bestaat dat in die periode een aardbeving met een grotere sterkte dan 3,9 op de schaal van Richter optreedt.
- viii) [eisers] zijn sinds 26 juli 1999 eigenaar van [de woning] (hierna: de woning). De woning bevindt zich boven het Groningenveld.
- ix) [eisers] hebben de woning op 20 juli 2011 te koop gezet voor een bedrag van € 224.500,--. De vraagprijs is in februari 2014 verlaagd tot € 169.000,--.
- x) De WOZ-waarde van de woning is in de loop der jaren op de volgende bedragen vastgesteld:
- per 1 januari 2011: € 199.000,--;
- per 1 januari 2013: € 145.000,--;
- per 1 januari 2014: € 135.000,--;
- per 1 januari 2015: € 108.000,--.
- xi) [eisers] hebben bij NAM diverse meldingen gedaan, onder meer van schade wegens scheurvorming in en aan de woning.
- xii) Naar aanleiding van de door [eisers] gemelde schadeposten zijn verscheidene schaderapporten opgesteld. Partijen hebben geen overeenstemming bereikt over een regeling.
- xiii) In juli 2014 en september 2015 hebben [eisers] NAM gemeld hinder te ondervinden in de vorm van een laagfrequent geluid, dat volgens hen afkomstig was van en veroorzaakt werd door de winningsactiviteiten van NAM in de buurt van Bierum .
De aard van de aansprakelijkheid is een van de gezichtspunten die worden betrokken bij het bepalen van de omvang van een wettelijke schadevergoedingsverplichting. Daaruit kan echter niet worden afgeleid dat de omvang van een verplichting tot vergoeding van schade die berust op een risicoaansprakelijkheid, in het algemeen kleiner of juist groter is dan die van een verplichting tot vergoeding van schade die berust op art. 6:162 BW Pro. Welke gevolgen het heeft voor de omvang van de schadevergoedingsverplichting dat zij berust op een risicoaansprakelijkheid, hangt af van de aard en strekking van de desbetreffende risicoaansprakelijkheid.
Blijkens de parlementaire geschiedenis ligt aan deze aansprakelijkheid, evenals aan de aansprakelijkheden voor gebrekkige zaken (art. 6:173 BW Pro), opstallen (art. 6:174 BW Pro), gevaarlijke stoffen (art. 6:175 BW Pro) en stortplaatsen (art. 6:176 BW Pro), de gedachte ten grondslag dat het gaat om een bron van verhoogd gevaar en dat, indien dit gevaar zich verwezenlijkt, de slachtoffers hun bescherming dienen te vinden in aansprakelijkheid van degene die voor het uit deze bron voortvloeiende gevaar verantwoordelijk moet worden geacht. Als die aansprakelijkheid op een onderneming wordt gelegd, ligt daaraan tevens een andere gedachte ten grondslag. Deze gedachte komt erop neer dat het redelijk is om de schade die voor derden ontstaat door de verwezenlijking van risico's die met de aard van het uitgeoefende bedrijf samenhangen, ten laste van de onderneming te brengen. Wat betreft de aansprakelijkheden voor gevaarlijke stoffen en mijnbouwwerken komt daar nog bij dat het bij deze aansprakelijkheden gaat om gevaren die zich hierdoor kenmerken dat zij zich weliswaar zelden verwezenlijken, maar dat, indien dat gebeurt, de mogelijkheid bestaat van zeer omvangrijke schade. In dergelijke gevallen is het te meer onaanvaardbaar dat de gevolgen daarvan niet zouden behoeven te worden gedragen door de onderneming waarvan de activiteiten tot schade hebben geleid en die van deze activiteiten profijt heeft gehad. [2]
Het antwoord op de vraag of en in hoeverre de Staat maatregelen als hiervoor in 2.7.3 bedoeld, had moeten treffen om het ontstaan van schade als gevolg van de gaswinning te voorkomen, heeft deels een feitelijk karakter en zal daarom na een debat daarover tussen partijen, met inbegrip van eventuele bewijsverrichtingen, door de feitenrechter moeten worden gegeven.
in the context of any activity, whether public or not, in which the right to life may be at stake, and a fortiori in the case of industrial activities, which by their very nature are dangerous”. [8] Indien sprake is van een gevaarlijke activiteit houdt een positieve verplichting in dat voldoende specifieke – al dan niet wettelijke – regelingen bestaan die “
must govern the licensing, setting up, operation, security and supervision of the activity and must make it compulsory for all those concerned to take practical measures to ensure the effective protection of citizens whose lives might be endangered by the inherent risks”. Een positieve verplichting kan inhouden dat de Staat moet voorzien in een effectief wettelijk en bestuurlijk kader ter bescherming van het recht op leven. [9]
attains a level of severity resulting in significant impairment of the applicant's ability to enjoy his home, private or family life”, waarbij “
[t]he assessment of that minimum level is relative and depends on all the circumstances of the case, such as the intensity and duration of the nuisance and its physical or mental effects on the individual's health or quality of life”. [11]
fair balancemoet treffen tussen de belangen van individuele burgers en die van de gemeenschap. [16]
.
3.Beslissing
19 juli 2019.