De zaak betreft een geschil over partneralimentatie tussen een man en een vrouw, waarbij de Hoge Raad de eerdere beschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft vernietigd en verwezen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor verdere behandeling.
De vrouw verzocht het hof om de partneralimentatie vanaf 1 september 2021 op nihil te stellen vanwege het pensioen van de man en haar pensioenuitkering. Het hof oordeelt echter dat het verzoek niet in deze procedure kan worden behandeld en dat de vrouw vrij staat haar aanspraak op partneralimentatie per die datum te beëindigen.
Het hof bevestigt de ingangsdatum van de gewijzigde partneralimentatie op 1 juni 2015, de datum waarop de man trouwde en de vrouw de AOW-leeftijd bereikte. De behoefte van de vrouw werd vastgesteld op € 3.353,70 per maand in 2015, met een aanvullende netto behoefte van € 871,70 per maand. Deze behoefte wordt vervolgens globaal gebruteerd naar een bruto bedrag van circa € 1.240,- per maand.
Het hof wijzigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant en bepaalt dat de man aan de vrouw een partneralimentatie moet betalen, beginnend met € 1.240,- per maand vanaf 1 juni 2015, met jaarlijkse indexering tot € 1.428,- per maand vanaf 1 januari 2022. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en het meer of anders verzochte wordt afgewezen.