Belanghebbende kreeg voor het jaar 2014 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd. Hij diende een brief in die de Inspecteur aanmerkte als bezwaarschrift, maar belanghebbende stelde dat het een verzoek om ambtshalve vermindering betrof. De Inspecteur verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de bezwaartermijn. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde de niet-ontvankelijkverklaring.
Belanghebbende stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. Het hof oordeelde dat de Inspecteur ten onrechte de brief ook als bezwaarschrift had aangemerkt, omdat dit niet is voorgeschreven en de brief duidelijk als verzoek om ambtshalve vermindering was bestempeld. Hierdoor was er geen geldige bezwaarprocedure geweest en vernietigde het hof de uitspraak op bezwaar en de uitspraak van de rechtbank.
Daarnaast vroeg belanghebbende vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het hof stelde vast dat de termijnen voor uitspraak in bezwaar en hoger beroep niet waren overschreden, zodat geen vergoeding werd toegekend.
Het hof veroordeelde de Inspecteur in de proceskosten van beroep en hoger beroep, vastgesteld op €1.518, en gelastte vergoeding van het griffierecht van €181. De uitspraak werd openbaar gedaan op 17 mei 2022.