ECLI:NL:GHARL:2022:4099

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
19 mei 2022
Publicatiedatum
23 mei 2022
Zaaknummer
200.295.160/01 en 200.307.663/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:302 BWArt. 3:303 BWArt. 1:205 BWArt. 3 Wetboek van Burgerlijke RechtsvorderingArtikel 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot vernietiging erkenning en verklaring voor recht nietigheid erkenning

De man heeft de erkenning van een minderjarige, die hij niet biologisch vader blijkt te zijn, betwist en verzocht deze te vernietigen wegens bedrog of dwaling. De rechtbank wees dit verzoek af omdat het niet binnen de wettelijke termijn was ingediend. De man ging hiertegen in hoger beroep.

Het hof bevestigde dat de man zijn verzoek te laat had ingediend, waardoor hij niet ontvankelijk was. Ook waren er geen bijzondere omstandigheden die een uitzondering op de vervaltermijn rechtvaardigden. Daarnaast verzocht de man subsidiair een verklaring voor recht dat de erkenning nietig is, vanwege zijn geloof en culturele achtergrond.

Het hof oordeelde dat de man onvoldoende belang had bij deze verklaring, mede omdat de juridische situatie door wettiging in Nigeria onveranderd blijft en de man inmiddels geen voogdij meer heeft. Ook de minderjarige wilde geen verandering in de erkenning. Daarom werden de verzoeken afgewezen en de eerdere beschikkingen van de rechtbank bekrachtigd.

Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot vernietiging van de erkenning en het verzoek om een verklaring voor recht dat de erkenning nietig is af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummers gerechtshof 200.295.160/01 en 200.307.663/01
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 498678)
beschikking van 19 mei 2022
inzake
[verzoeker](de man),
wonende te [woonplaats1] ,
verzoeker in hoger beroep,
advocaat: mr. B.A. Huijgen te Amsterdam,
en
[de vrouw](de vrouw),
wonende op een geheim te houden adres,
advocaat: mr. S. Mathoerapersad te Amsterdam.
Als (overige) belanghebbende is aangemerkt:
[de bijzondere curator](de bijzondere curator van [de minderjarige] ),
kantoorhoudende te Almere.
In zijn toetsende en/of adviserende taak is gekend:
de raad voor de kinderbescherming(de raad),
Regio Midden Nederland, locatie Utrecht.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere, van 19 mei 2020, 2 maart 2021 en 2 december 2021, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2.Het geding in hoger beroep

In de zaak met nummer 200.295.160/01:
2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 28 mei 2021;
- een journaalbericht namens de man van 23 juni 2021 met bijlage(n);
- een journaalbericht namens de man van 9 juli 2021 met bijlage(n);
- het verweerschrift van de bijzondere curator met bijlage(n);
- een brief van de raad van 2 november 2021;
In de zaak met nummer 200.307.663/01:
2.2
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 28 februari 2022;
- een brief van de raad van 15 maart 2022;
- het verweerschrift van de bijzondere curator.
In beide zaken:
2.3
De minderjarige [de minderjarige] , hierna nader te noemen, heeft bij brief van 1 maart 2022 aan het hof zijn mening kenbaar gemaakt met betrekking tot het verzoek van de man tot vernietiging van de erkenning.
2.4
De mondelinge behandeling heeft op 13 april 2022 plaatsgevonden. De zaken met nummers 200.295.160/01 en 200.307.663/01 zijn gelijktijdig behandeld. De man is verschenen, bijgestaan door zijn advocaat. Namens de vrouw is haar advocaat verschenen. Ook is de bijzondere curator verschenen. De advocaten hebben het woord mede gevoerd aan de hand van een door hen overgelegde pleitnotitie.
2.5
Na de mondelinge behandeling is op verzoek van het hof binnengekomen een journaalbericht namens de man van 28 april 2022 met begeleidend schrijven.

3.De feiten

3.1
Op het moment dat de vrouw met de man op 8 december 2012 in Nigeria in het huwelijk trad had zij drie kinderen, waaronder [de minderjarige] , geboren [in]
2004 in [plaats1] (Nigeria).
3.2
De man heeft [de minderjarige] in Nederland erkend op 18 november 2014.
3.3
De man en [de minderjarige] hebben de Nederlandse nationaliteit en de vrouw heeft de Nigeriaanse nationaliteit. Zij hebben allen hun woonplaats in Nederland.
3.4
Uit verwantschaps-onderzoek door Verilabs, gerapporteerd op 20 augustus 2018, is gebleken dat de man niet de biologische vader is van [de minderjarige] .
3.5
Het huwelijk tussen partijen is [in] 2019 in [plaats2] (Nigeria) ontbonden. De echtscheiding staat geregistreerd in de registers van de burgerlijke stand in Amsterdam.
3.6
De man heeft de rechtbank, bij verzoekschrift van 3 maart 2020, verzocht de erkenning van [de minderjarige] te vernietigen omdat er sprake is van bedrog dan wel dwaling ten aanzien van het vaderschap, omdat de vrouw hem onjuist heeft geïnformeerd. De man heeft de rechtbank subsidiair, bij brief van 17 december 2020, verzocht een verklaring voor recht af te geven dat de door hem gedane erkenning nietig is.

4.De omvang van het geschil

In de zaak met nummer 200.295.160/01:
4.1
Bij de bestreden beschikking van 2 maart 2021 heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het verzoek van de man tot vernietiging van de erkenning van [de minderjarige] afgewezen.
4.2
De man is in hoger beroep gekomen van deze beschikking. De grieven zien op de afwijzing van zijn verzoek tot vernietiging van de erkenning. De man verzoekt, voor zover hier van belang, het hof de beschikking van 2 maart 2021 op dit punt te vernietigen en het verzoek van de man tot vernietiging van de erkenning alsnog toe te wijzen.
In de zaak met nummer 200.307.663/01:
4.3
Bij de bestreden beschikking van 2 december 2021 heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het verzoek van de man om een verklaring voor recht dat de erkenning door de man, gedaan op 18 november 2014, nietig is, afgewezen.
4.4
De man is in hoger beroep gekomen van deze beschikking. De man verzoekt het hof de beschikking van 2 december 2021 te vernietigen en het verzoek van de man om een verklaring voor recht dat de erkenning door de man, gedaan op 18 november 2014, nietig is toe te wijzen.
In beide zaken:
4.5
De bijzondere curator voert verweer en verzoekt het hof de man in zijn hoger beroep in beide zaken niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel zijn verzoeken af te wijzen, met bekrachtiging van de beschikkingen van 2 maart en 2 december 2021.
4.6
Namens de vrouw is ter zitting verweer gevoerd. De vrouw sluit zich aan bij het standpunt van de bijzondere curator in beide zaken en verzoekt het hof de door de man gedane verzoeken af te wijzen.

5.De motivering van de beslissing

5.1
Het hof dient te beoordelen of het verzoek van de man tot vernietiging van de erkenning van [de minderjarige] dan wel het verzoek van de man om een verklaring van recht af te geven dat de gedane erkenning door de man nietig is voor toewijzing vatbaar is. Voordat het hof aan die beoordeling toekomt, dient het hof eerst te beoordelen of het hof bevoegd is, welk recht van toepassing is en of de man ontvankelijk is in zijn verzoek. Het hof overweegt het volgende.
Bevoegdheid en toepasselijk recht
5.2
Het hof is op grond van artikel 3 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bevoegd om kennis te nemen van de verzoeken van de man, omdat de man in Nederland zijn woonplaats heeft. Ten aanzien van het toepasselijke recht zijn geen grieven opgeworpen, zodat het hof evenals de rechtbank het Nederlandse recht zal toepassen.
Verzoek tot vernietiging erkenning
5.3
De erkenner kan op grond van artikel 1:205 lid 1 sub b van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) een verzoek doen tot vernietiging van de erkenning, op de grond dat de erkenner niet de biologische vader van het kind is, indien hij, zoals hier gesteld, door bedreiging, dwaling of bedrog daartoe is bewogen. De man stelt dat sprake is van bedrog dan wel dwaling.
Op grond van het derde lid van voornoemd artikel moet in geval van bedrog of dwaling, het verzoek door de erkenner binnen een jaar nadat de verzoeker het bedrog of de dwaling heeft ontdekt, worden ingediend.
5.4
Vast staat dat op 20 augustus 2018 uit verwantschaps-onderzoek is gebleken dat de man niet de biologische vader is van [de minderjarige] . Ook niet ter discussie staat dat het verzoek van de man tot vernietiging van de erkenning niet is ingediend binnen de daartoe in de wet gestelde termijn: te weten binnen een jaar nadat de man ontdekte dat hij niet de biologische vader is van [de minderjarige] . Volgens de wetsgeschiedenis dient deze termijn om de rechtszekerheid zo min mogelijk in het gedrang te laten komen. Het hof is net als de rechtbank van oordeel dat de man zijn verzoek te laat heeft ingediend en dat ook geen sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat moet worden afgeweken van de wettelijke vervaltermijn. Dat de man in Nigeria in de tussentijd (wel) een procedure is gestart over het gezag ten aanzien van [de minderjarige] is hiervoor onvoldoende. De stellingen van de man dat een strikte handhaving van de in wet gestelde termijn in strijd is met artikel 8 EVRM Pro en/of artikel 3 IVRK Pro en dat de vernietiging van de erkenning in het belang van [de minderjarige] is, heeft hij onvoldoende onderbouwd en geven het hof dan ook geen reden om anders te beslissen over de ontvankelijkheid van de man. Integendeel, uit hetgeen de bijzondere curator, de advocaat van de vrouw en [de minderjarige] (per brief) naar voren hebben gebracht blijkt dat [de minderjarige] juist geen verandering wil in de door de man gedane erkenning. De huidige situatie, waarbij is gebleken dat de man niet zijn biologische vader is en het contact tussen de man en [de minderjarige] is verbroken, is al lastig genoeg voor hem. [de minderjarige] wil graag rust en zich richten op school en sport, en op een later moment zelf beslissen of hij een verzoek wil indienen.
5.5
Het hof concludeert op grond van het voorgaande dat het verzoek van de man tot vernietiging van de erkenning moet worden afgewezen.
Verklaring voor recht
5.6
Op grond van artikel 3:302 BW Pro spreekt de rechter op vordering van een bij een rechtsverhouding onmiddellijk betrokken persoon een verklaring voor recht omtrent die rechtsverhouding uit. Artikel 3:303 BW Pro bepaalt dat zonder voldoende belang niemand een rechtsvordering toekomt. Op grond van vaste jurisprudentie kan ook in een verzoekschriftprocedure een verklaring voor recht worden verzocht. [1]
5.7
De gemeente Almere heeft bij besluit van 18 augustus 2020 geconcludeerd dat de erkenning door de man van [de minderjarige] , die op 18 november 2014 heeft plaatsgevonden, nietig is, omdat er al sprake is van afstamming door wettiging vanwege het gesloten huwelijk tussen de man en de vrouw in Nigeria. De man heeft het hof (daarom) subsidiair verzocht om een verklaring voor recht dat de erkenning nietig is. Deze verklaring is voor hem belangrijk omdat dit recht doet aan de feitelijke (juridische) situatie, vanwege zijn geloof en culturele achtergrond en om eventuele discussies in de toekomst te voorkomen.
Het hof stelt echter vast, zoals ter zitting is besproken en zoals de rechtbank ook heeft overwogen, dat ook al zou een dergelijke verklaring voor recht worden afgegeven, dit vanwege de wettiging in Nigeria niets verandert aan de juridische verhouding tussen de man en [de minderjarige] . Bovendien is ter zitting duidelijk geworden dat de man de verklaring niet (meer) nodig heeft voor de situatie in Nigeria, omdat alles daar volgens de man inmiddels rond is: hij heeft geen voogdij meer over [de minderjarige] , er lopen geen procedures meer en [de minderjarige] heeft geen rol meer binnen zijn familie en bij (religieuze) tradities.
5.8
Het hof concludeert op grond van het voorgaande dat de man onvoldoende belang heeft bij een verklaring voor recht en zal zijn verzoek hiertoe afwijzen.

6.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikkingen van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere, van
2 maart 2021 en 2 december 2021, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. M.P. den Hollander, J.G. Knot en M. Weissink, bijgestaan door mr. E. Klijn als griffier, en is op 19 mei 2022 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

Voetnoten

1.HR 30 oktober 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2759, HR 10 september 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2959 en HR 31 maart 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5319.