Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2022:4145

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
24 mei 2022
Publicatiedatum
24 mei 2022
Zaaknummer
200.303.211
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:266 BWArt. 3 IVRKArt. 20 IVRK
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging beëindiging gezag moeder over minderjarige kinderen

De moeder heeft drie minderjarige kinderen uit twee verschillende relaties. Sinds januari 2019 zijn de kinderen onder toezicht gesteld en sinds maart 2019 met machtiging uit huis geplaatst, verblijvend in pleegzorg. De rechtbank heeft het gezag van de moeder over de kinderen beëindigd op verzoek van de raad voor de kinderbescherming.

De moeder ging in hoger beroep tegen deze beslissing en verzocht het hof de beschikking te vernietigen en het gezag te herstellen of een andere regeling te treffen. Het hof heeft de procedure behandeld aan de hand van ingediende stukken, mondelinge behandeling en het advies van de gecertificeerde instelling en pleegouders.

Het hof overweegt dat het belang van de kinderen voorop staat en dat zij recht hebben op continuïteit, zekerheid en ongestoorde hechting in hun huidige pleeggezin. De moeder kan de verantwoordelijkheid voor verzorging en opvoeding niet binnen een aanvaardbare termijn dragen, mede door onduidelijke woonsituatie en blijvende begeleidingsbehoefte.

De kinderen wonen al ruim drie jaar niet bij de moeder en zijn inmiddels anderhalf jaar in een perspectief biedend pleeggezin waar zij goed gedijen. Het hof acht het belang van continuering van deze situatie zwaarder dan het recht van de moeder op gezag. Het bewijsaanbod van de moeder wordt afgewezen wegens onvoldoende specificiteit.

Daarom bekrachtigt het hof het besluit van de rechtbank tot beëindiging van het gezag en verklaart dit uitvoerbaar bij voorraad. Er is geen aanleiding voor een kostenveroordeling.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beëindiging van het gezag van de moeder over haar drie minderjarige kinderen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.303.211
(zaaknummer rechtbank Gelderland 391659)
beschikking van 24 mei 2022
inzake
[verzoekster],
wonende te [woonplaats1] ,
verzoekster in hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. Y. Wong te Amsterdam,
en
raad voor de kinderbescherming,
gevestigd te Arnhem,
verweerder in hoger beroep,
verder te noemen: de raad.
Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:
de gecertificeerde instelling
Stichting Samen Veilig Midden Nederland,
gevestigd te Utrecht,
verder te noemen: de GI,
en
de pleegouders van [de minderjarige1] en [de minderjarige2],
wonende op een geheim adres,
verder te noemen: de pleegouders.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland van 3 september 2021, uitgesproken onder voormeld zaaknummer, hierna ook te noemen: de bestreden beschikking.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met producties, ingekomen op 29 november 2021;
- het verweerschrift;
- een journaalbericht van mr. Wong van 14 april 2022 met producties.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 26 april 2022 plaatsgevonden. Aanwezig waren:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de raad;
- een vertegenwoordiger van de GI;
- aan de ambulante begeleider van de moeder vanuit Humanitas, is bijzondere toestemming verleend als informant.

3.De feiten

3.1
De moeder heeft de volgende kinderen uit twee verschillende relaties:
- [de minderjarige1] , geboren [in] 2014 te [plaats1] ,
- [de minderjarige2] , geboren [in] 2016 te [plaats1] , en
- [de minderjarige3] , geboren [in] 2019 te [plaats2] .
3.2
Bij beschikking van 31 januari 2019 heeft de kinderrechter in de rechtbank Midden Nederland, locatie Utrecht, [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] onder toezicht gesteld van de GI tot 31 januari 2021, welke termijn laatstelijk is verlengd bij beschikking van 22 januari 2021 tot 31 januari 2022.
3.3
Sinds 27 maart 2019 zijn [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] met een machtiging van de kinderrechter uit huis geplaatst. Sindsdien verblijven [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] in een voorziening voor pleegzorg.

4.De omvang van het geschil

4.1
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, op verzoek van de raad, het gezag van de moeder over [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] beëindigd.
4.2
De moeder is met vijf grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en het verzoek van de raad tot beëindiging over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] alsnog af te wijzen, althans een zodanige regeling vast te stellen als het gerechtshof in goede justitie zal vermenen te behoren, kosten rechtens. De moeder heeft een bewijsaanbod gedaan.
4.3
De raad voert verweer en verzoekt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5.De motivering van de beslissing

5.1
Op grond van artikel 1:266 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter het gezag van een ouder beëindigen onder andere indien een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn.
5.2
Gelet op het bepaalde in de artikelen 3 en 20 van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind overweegt het hof dat bij het nemen van een beslissing tot beëindiging van het gezag van de ouders de belangen van het kind voorop staan. Het kind dat niet verblijft in het eigen gezin heeft recht op zekerheid, continuïteit en ongestoorde hechting in de alternatieve leefsituatie en duidelijkheid over zijn opvoedingsperspectief.
5.3
Het hof is van oordeel dat uit de stukken en uit hetgeen op de zitting is gezegd is gebleken dat de kinderrechter een goede beslissing heeft genomen. Ook het hof komt na eigen onderzoek tot de conclusie dat de moeder de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de kinderen niet binnen een voor de kinderen aanvaardbare termijn kan dragen. Dat aangeboden hulpverlening om wat voor reden dan ook in het verleden niet van de grond is gekomen, maakt dit niet anders.
Hoewel het hof het belangrijk en prijzenswaardig acht dat de moeder grote stappen heeft gezet, blijft met name de woonsituatie van de moeder onduidelijk. Hiernaast blijft de moeder veel begeleiding nodig hebben in dagelijkse zaken. Ondertussen wonen [de minderjarige1] en [de minderjarige2] al ruim drie jaar niet meer bij hun moeder. In die tijd woonden [de minderjarige1] en [de minderjarige2] bij verschillende pleeggezinnen en is er veel onzekerheid bij hen geweest over waar zij zullen opgroeien.
Op dit moment wonen [de minderjarige1] en [de minderjarige2] anderhalf jaar bij het huidige, perspectief biedende pleeggezin. Gebleken is dat het daar goed met hen gaat en dat de zorgen om hen en de ontwikkelingsbedreigingen sterk zijn afgenomen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de GI bovendien aangegeven dat er sprake lijkt te zijn van hechting van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] in het huidige pleeggezin. Voor de ontwikkeling van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] is van groot belang dat dat de huidige opvoedingssituatie wordt voortgezet en veilig wordt gesteld en dat zij na lange tijd van onzekerheid duidelijkheid krijgen over waar zij blijvend zullen opgroeien.
Het hof is met de raad van oordeel dat de belangen van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] bij continuering van de huidige opvoedingssituatie en voorzetting van een ongestoord hechtingsproces in de gegeven omstandigheden zwaarder dienen te wegen dan het recht van de moeder om met het gezag belast te blijven. Het hof is het daarom eens met de beslissing van de rechtbank en zal de bestreden beschikking dan ook bekrachtigen.
Bewijsaanbod
5.4
Het hof passeert het bewijsaanbod van de moeder nu dit onvoldoende concreet en te weinig specifiek is om tot toewijzing daarvan te kunnen leiden.

6.De slotsom

6.1
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof de bestreden beschikking, voor daarin het gezag van de moeder over de kinderen is beëindigd, bekrachtigen. Het hof zal de bestreden beschikking ambtshalve uitvoerbaar bij voorraad verklaren.
6.2
Er is geen aanleiding voor een kostenveroordeling.

7.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Gelderland van 3 september 2021, voor zover daarin het gezag van de moeder over de kinderen is beëindigd;
verklaart de beschikking van 3 september 2021 ambtshalve uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. R. Feunekes, E.B. Knottnerus en L. Hamer, bijgestaan door mr. M.A. Mertens als griffier, en is op 24 mei 2022 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.