Belanghebbende, een ICT-onderneming opgericht in 2014, kreeg naheffingsaanslagen en boetes opgelegd wegens het niet indienen van aangiften omzetbelasting over 2017 en 2018. De rechtbank vernietigde de naheffingsaanslagen en betalingsverzuimboetes wegens het ontbreken van een redelijke schatting, maar wees de aangifteverzuimboetes toe. De Inspecteur ging tegen dit oordeel in hoger beroep, belanghebbende stelde incidenteel hoger beroep in.
Het hof oordeelt dat de Inspecteur terecht belanghebbende uitnodigde tot aangifte, ondanks twijfel over het ondernemerschap. Belanghebbende had door het doen van nihil-aangiften aan haar verplichtingen kunnen voldoen. De opgelegde naheffingsaanslagen van €250 per kwartaal zijn op zich een redelijke schatting, maar het hof bevestigt dat belanghebbende overtuigend heeft aangetoond dat zij over die tijdvakken geen belasting verschuldigd was, mede door eerdere naheffingsaanslagen en het feit dat zij per 1 januari 2019 als ondernemer uit de administratie is afgevoerd.
Het hof verklaart het hoger beroep van de Inspecteur ongegrond en het incidenteel hoger beroep van belanghebbende gegrond voor wat betreft de wettelijke rente over dwangsommen en vergoedingen. De aangifteverzuimboetes blijven van kracht omdat belanghebbende structureel geen aangifte heeft gedaan. Het hof wijst ook een beperkte vergoeding voor immateriële schade wegens termijnoverschrijding toe en veroordeelt de Inspecteur in een deel van de proceskosten. Verzoeken tot schadevergoeding wegens vermeende onzorgvuldigheden van de Inspecteur worden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.