Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoekster in hoger beroep,
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
5 november 2021 met bijlage(n);
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De moeder en vader zijn gezamenlijk ouderlijk gezag over twee minderjarige kinderen. De moeder verzocht de rechtbank om de hoofdverblijfplaats bij haar te bepalen en een voorlopige zorgregeling vast te stellen, waarbij de vader contactmomenten zou hebben. De vader wilde een co-ouderschapsregeling.
De rechtbank stelde een voorlopige zorgregeling vast met contactmomenten voor de vader, waaronder een woensdagmiddag. De moeder ging in hoger beroep tegen deze regeling en het onderzoek door de raad voor de kinderbescherming.
Het hof oordeelde dat de moeder ontvankelijk was in haar beroep en onderzocht de voorlopige zorgregeling. De raad adviseerde de regeling niet te beperken en waarschuwde dat een flexibele regeling alleen werkt bij goede communicatie tussen ouders, wat hier ontbrak. Het hof vond geen objectieve signalen die aanpassing noodzakelijk maakten en bekrachtigde de voorlopige zorgregeling.
Het hof legde aan het kind uit waarom het verzoek voor een flexibele regeling niet kon worden ingewilligd en benadrukte het belang van duidelijke afspraken en het behouden van wekelijkse contactmomenten met de vader.
Ten aanzien van co-ouderschap oordeelde het hof dat de rechtbank op goede gronden de raad opdracht gaf te onderzoeken of co-ouderschap in het belang van de kinderen is. De grieven van de moeder faalden en het hof wees haar verzoek af zonder haar in de proceskosten te veroordelen.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de voorlopige zorgregeling en wijst het verzoek van de moeder voor een flexibele regeling af.