ECLI:NL:GHARL:2022:5647

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
4 juli 2022
Publicatiedatum
4 juli 2022
Zaaknummer
Wahv 200.295.548/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 WahvArt. 8:69 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen niet-ontvankelijkverklaring administratief beroep in verkeerszaak

De betrokkene stelde hoger beroep in tegen de beslissing van de kantonrechter die het administratief beroep tegen een verkeerssanctie niet-ontvankelijk had verklaard wegens het ontbreken van een schriftelijke machtiging van een bevoegde natuurlijke persoon binnen de rechtspersoon.

Het hof oordeelde dat de kantonrechter buiten de omvang van het geschil was getreden door ambtshalve te toetsen op machtiging, wat niet tot de openbare orde behoort en daarom niet ambtshalve getoetst mag worden. De beslissing van de kantonrechter werd vernietigd.

Het hof beoordeelde vervolgens het beroep tegen de sanctie van €95 wegens handelen in strijd met een gesloten verklaring. De betrokkene voerde aan dat de boa niet bevoegd was de sanctie op te leggen omdat het toepasselijke verkeersbesluit niet kon worden achterhaald en dat de sanctie onterecht was opgelegd zonder staandehouding.

Het hof stelde dat de bevoegdheid van de boa uitgaat van het bestaan van de gesloten verklaring en dat twijfel alleen ontstaat bij onderbouwde betwisting van het doel van de gesloten verklaring. De stelling dat het verkeersbesluit niet kon worden achterhaald, leidde niet tot twijfel over de bevoegdheid.

Verder oordeelde het hof dat de verklaring van de boa over het ontbreken van een veilige mogelijkheid tot staandehouding voldoende was en dat de foto waarop de betrokkene zich bevond niet relevant was voor de locatie van de staandehouding. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de sanctie van €95 blijft in stand.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.295.548/01
CJIB-nummer
: 226159356
Uitspraak d.d.
: 4 juli 2022
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank
Oost-Brabant van 4 maart 2021, betreffende

[de betrokkene] V.O.F. (hierna: de betrokkene),

gevestigd te [vestigingsplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. M. Lagas, kantoorhoudende te Amsterdam.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond verklaard, die beslissing gewijzigd, in zoverre dat het beroep tegen de inleidende beschikking door de kantonrechter niet-ontvankelijk is verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De advocaat-generaal heeft in een later stadium nog een stuk overgelegd. Dit is (in kopie) gestuurd naar de gemachtigde, waarbij de gemachtigde de gelegenheid heeft gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene, waarvoor mr. Lagas als gemachtigde optreedt, ontvankelijk geacht. In het kader van de beoordeling van de beslissing van officier van justitie die de betrokkene ontvankelijk achtte in het administratief beroep en dat beroep inhoudelijk heeft beoordeeld, heeft de kantonrechter geoordeeld dat in de onderhavige procedure niet is gebleken dat mr. Lagas door een binnen de rechtspersoon bevoegde natuurlijke persoon gemachtigd was het beroep bij de officier van justitie in te dienen. De kantonrechter heeft het beroep tegen de inleidende beschikking om die reden (alsnog) niet-ontvankelijk verklaard.
2. De gemachtigde voert met een beroep op het arrest van het hof van 11 december 2018 (ECLI:NL:GHARL:2018:10790) tegen de beslissing van de kantonrechter aan dat deze ten onrechte van hem om een schriftelijke machtiging in eerste aanleg heeft verzocht.
3. De vraag of iemand als gemachtigde kan worden aangemerkt betreft geen kwestie van openbare orde en dient om die reden niet ambtshalve te worden getoetst. Dit betekent dat de kantonrechter buiten de omvang van het geding is getreden, hetgeen in strijd is met artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, dat naar analogie in de Wahv-procedure van toepassing is. De beslissing van de kantonrechter zal worden vernietigd. Het hof zal het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie beoordelen.
4. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 95,- voor: “als bestuurder handelen in strijd met een gesloten verklaring in beide richtingen”. Deze gedraging zou zijn verricht op 6 juni 2019 om 09:16 uur op het Oudveld in Erp met het voertuig met het kenteken [kenteken] . De officier van justitie heeft het beroep tegen deze beschikking ongegrond verklaard.
5. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat op grond van de informatie in het dossier, noch op grond van een verkeersbesluit kan worden vastgesteld dat de geslotenverklaring is ingesteld in relatie tot “de leefbaarheid, waaronder het tegengaan van overlast door sluipverkeer en het verbeteren van de leefbaarheid door bepaalde gebieden af te sluiten voor (vracht)auto’s, zoals de zogeheten milieuzones” of “op het tegengaan van overlast of op de bescherming van het milieu of de natuur”. Daarnaast is het voor de gemachtigde niet mogelijk het toepasselijke verkeersbesluit op te vragen. Bij die stand van zaken was de buitengewoon opsporingsambtenaar (hierna: boa) niet bevoegd om de sanctie op te leggen en komt de inleidende beschikking voor vernietiging in aanmerking.
6. Het hof stelt in het kader van de beantwoording van de vraag of de ambtenaar die een administratieve sanctie heeft opgelegd daartoe bevoegd was voorop, dat het bestaan van de bevoegdheid van de betreffende ambtenaar het uitgangspunt is (vgl. het arrest van dit hof van
23 december 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:10797). Dit brengt tevens mee dat ervan wordt uitgegaan dat de ambtenaar blijft binnen de grenzen van de hem toegekende bevoegdheden. Dit betekent dat uit het dossier niet hoeft te blijken waarom de geslotenverklaring is ingesteld, teneinde te kunnen beoordelen of de boa in het voorliggende geval bevoegd was om de sanctie op te leggen. Dat is slechts anders indien op onderbouwde wijze wordt betwist dat de geslotenverklaring in relatie tot het in de domeinlijst vermelde doel is ingesteld. In dat geval kan twijfel ontstaan omtrent de bevoegdheid van de boa en zal zo nodig informatie aan het dossier moeten worden toegevoegd waaruit kan blijken in verband met welk doel de geslotenverklaring is ingesteld. De stelling dat het betreffende verkeersbesluit niet kan worden achterhaald doet een dergelijke twijfel niet ontstaan.
7. De gemachtigde voert verder aan dat de sanctie in strijd met artikel 5 van Pro de Wahv aan de kentekenhouder is opgelegd. De ambtenaar heeft verklaard dat er geen staandehouding heeft plaatsgevonden omdat er sprake was van veel verkeer op de weg waarover de betrokkene reed en deze weg daarnaast niet breed was. Een en ander wordt volgens de gemachtigde echter weersproken door hetgeen zichtbaar is op de foto met betrekking tot de gedraging die door de ambtenaar is gemaakt. Op die foto is namelijk geen ander voertuig zichtbaar dan dat van de betrokkene, terwijl de weg breed genoeg lijkt om tot staandehouding van de betrokkene over te kunnen gaan.
8. Bij aanvullend proces-verbaal van 9 september 2019 heeft de ambtenaar als volgt verklaard
- zakelijk weergegeven -:
Er heeft geen staandehouding plaatsgevonden omdat op de weg waar het voertuig op uitkwam veel verkeer kwam en deze weg niet breed is, zodat dit een gevaarlijke situatie kan veroorzaken.
9. Naar het oordeel van het hof blijkt uit de verklaring van de ambtenaar genoegzaam dat zich geen reële mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder heeft voorgedaan. Uit die verklaring volgt immers dat de ambtenaar met het oog op de verkeerssituatie zoals deze zich voordeed na het vaststellen van de gedraging geen veiligheidsrisico’s wilde nemen door tot staandehouding van de betrokkene over te gaan. Aan hetgeen volgens de gemachtigde zichtbaar is op de foto met betrekking tot de gedraging komt in dit verband geen betekenis toe, nu op die foto het voertuig van de betrokkene bij het inrijden van het Oudveld zichtbaar is, terwijl de gedraging pas is vastgesteld na het verlaten van deze straat. De foto ziet daarmee niet op de locatie waar de staandehouding volgens de ambtenaar zou moeten plaatsvinden. De sanctie is terecht met toepassing van artikel 5 van Pro de Wahv aan de kentekenhouder opgelegd.
10. Het voorgaande betekent dat de aangevoerde gronden niet slagen. Het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie zal ongegrond worden verklaard.
11. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021, vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786).

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Pullens als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.