ECLI:NL:GHARL:2022:5900

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
12 juli 2022
Publicatiedatum
12 juli 2022
Zaaknummer
21/00504
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:108 AwbArt. 8:75a AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:41 AwbArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot kostenvergoeding na intrekking hoger beroep in belastingzaak

Belanghebbende stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Gelderland inzake een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over 2016. Na overleg met de Inspecteur werd het hoger beroep ingetrokken, waarbij de Inspecteur aan belanghebbende tegemoetkwam door het verzamelinkomen te verlagen.

Belanghebbende verzocht het Hof om de Inspecteur te veroordelen tot vergoeding van het door hem betaalde griffierecht. Het Hof overwoog dat op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de Inspecteur in geval van intrekking van het hoger beroep wegens tegemoetkoming verplicht is het griffierecht te vergoeden.

Het Hof besloot het verzoek van belanghebbende als kennelijk gegrond toe te wijzen en gelastte de Inspecteur tot vergoeding van de griffierechten van €48 voor de rechtbank en €134 voor het Hof. De uitspraak werd gedaan door de drie rechters op 12 juli 2022 en in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Het Hof gelast de Inspecteur de betaalde griffierechten van belanghebbende te vergoeden na intrekking van het hoger beroep.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem
nummer BK-ARN 21/00504
uitspraakdatum:
12 juli 2022
Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer
op het verzoek van
[belanghebbende]te
[woonplaats](hierna: belanghebbende)
om
de
inspecteurvan de
Belastingdienst/Kantoor Arnhem(hierna: de Inspecteur)
te veroordelen in de kosten van belanghebbende naar aanleiding van de intrekking van het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 6 april 2021, nummer AWB 20/5034

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
Belanghebbende heeft op 26 april 2021 hoger beroep ingesteld tegen de hiervoor vermelde uitspraak van de Rechtbank inzake de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 2016.
1.2.
Op 6 mei 2022 heeft de Inspecteur in een e-mail aan belanghebbende over dit hoger beroep het volgende geschreven:
“Vandaag (…) hebben wij telefonisch contact gehad inzake uw hoger beroep (…).
Ik heb met u afgesproken dat u uw hoger beroep intrekt. (…)
Wij hebben afgesproken dat ik na de intrekking het verzamelinkomen uit box 1 ga verlagen met € 69 naar € 71.508. (…)
Daarnaast heb ik aangegeven dat u aan het Gerechtshof kan verzoeken om de Belastingdienst te veroordelen tot het betalen van het griffierecht.”
1.3.
Bij brief van 7 mei 2022 heeft belanghebbende het hoger beroep ingetrokken. Tegelijk daarmee heeft hij het Hof verzocht de Inspecteur te veroordelen tot het vergoeden van het griffierecht.
1.4.
Bij brief van 16 juni 2022 heeft de Inspecteur gereageerd op het verzoek van belanghebbende en daarbij onder meer vermeld dat het hoger beroep is ingetrokken omdat de Inspecteur aan belanghebbende is tegemoetgekomen.

2.Beoordeling van het verzoek

2.1.
Ingevolge artikel 8:108, lid 1, in verbinding met artikel 8:75a, lid 1, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan de inspecteur, in geval van intrekking van het door een belanghebbende ingestelde hoger beroep omdat de inspecteur aan die belanghebbende is tegemoetgekomen, op verzoek van die belanghebbende bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 Awb Pro in de kosten worden veroordeeld.
2.2.
Belanghebbende verzoekt uitsluitend om vergoeding van het door hem betaalde griffierecht. In een geval als het onderhavige vloeit de verplichting om het betaalde griffierecht te vergoeden reeds voort uit artikel 8:41, lid 7, Awb, zodat het Hof de Inspecteur hierin niet hoeft te veroordelen. Het Hof zal evenwel gelasten dat de Inspecteur aan die verplichting uitvoering geeft.
2.3.
Gelet op het voorgaande zal het Hof het verzoek van belanghebbende als kennelijk gegrond toewijzen door te beslissen als hierna vermeld. Daarom sluit het Hof het onderzoek en doet het uitspraak met overeenkomstige toepassing van artikel 8:54 Awb Pro.

3.Beslissing

Het Hof gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende de betaalde griffierechten vergoedt, te weten € 48 in verband met het beroep bij de Rechtbank en € 134 in verband met het hoger beroep bij het Hof.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J.H. van Suilen, voorzitter, mr. R.F.C. Spek en mr. V.F.R. Woeltjes, in tegenwoordigheid van drs. M.T.M. Hennevelt als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 juli 2022.
De voorzitter,
De griffier is verhinderd de uitspraak
te ondertekenen
(A.J.H. van Suilen)
Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 13 juli 2022
Ieder van de partijen kan binnen
zes wekenna de verzenddatum van deze uitspraak hiertegen een
verzetschriftindienen bij dit Gerechtshof. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen op het verzet te worden gehoord.
Een kopie van deze uitspraak moet bij het verzetschrift worden overgelegd. Het verzetschrift moet zijn ondertekend en ten minste bevatten:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. de vermelding van de uitspraak waartegen het verzet is gericht;
d. de gronden van het verzet, waarbij de bezwaren tegen de uitspraak duidelijk zijn omschreven.
Deze uitspraak vervalt indien het Gerechtshof het verzet gegrond verklaart. De behandeling van het hoger beroep wordt dan voortgezet in de stand waarin het zich bevond toen deze uitspraak werd gedaan.