ECLI:NL:GHARL:2022:6155

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
19 juli 2022
Publicatiedatum
19 juli 2022
Zaaknummer
Wahv 200.297.846/
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 6:6 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken van beroepsgronden bij zekerheidstelling

De betrokkene stelde beroep in tegen een beslissing van de officier van justitie in een zaak onder de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). De kantonrechter verklaarde het beroep niet-ontvankelijk omdat het beroepschrift geen gronden bevatte. De gemachtigde voerde aan dat het beroepschrift wel een draagkrachtverweer bevatte en daarom wel gronden bevatte.

Het hof oordeelt dat een draagkrachtverweer betrekking heeft op de betaling van de zekerheidstelling, maar geen beroepsgrond is tegen de beslissing van de officier van justitie zelf. Volgens artikel 6:5 Awb Pro moet een beroepschrift gronden bevatten die aangeven waarom het besluit vernietigd, gewijzigd of herroepen moet worden. Een draagkrachtverweer voldoet hier niet aan.

Daarom bevestigt het hof de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep door de kantonrechter. Tevens wijst het hof het verzoek om proceskostenvergoeding af, aangezien de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van beroepsgronden en het verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.297.846/01
CJIB-nummer
: 235854929
Uitspraak d.d.
: 19 juli 2022
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Overijssel van 3 juni 2021, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. N.G.A. Voorbach, kantoorhoudende te Zoetermeer.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. De kantonrechter heeft het beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat er geen gronden zijn aangevoerd tegen de beslissing van de officier van justitie en de gemachtigde geen gebruik heeft gemaakt van de hem geboden gelegenheid om dit verzuim te herstellen.
2. De gemachtigde stelt zich op het standpunt dat de kantonrechter het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat in het beroepschrift aan de kantonrechter een draagkrachtverweer wordt gevoerd en het beroepschrift dus wel een beroepsgrond bevat.
3. Ingevolge artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bevat het bezwaar- of beroepschrift ten minste de gronden van het bezwaar of beroep. Slechts indien een beroepschrift geen gronden bevat, kan dit leiden tot niet-ontvankelijkverklaring op de voet van artikel 6:6, aanhef en onder a, van de Awb.
4. Met de gronden van het beroep worden de redenen bedoeld die de indiener heeft om een besluit vernietigd, gewijzigd of herroepen te krijgen (vgl. het arrest van het hof van 12 januari 2015, gepubliceerd op rechtspraak.nl ECLI:NL:GHARL2015:195, overweging 5). Het gaat hier om een minimumeis, waaraan in Wahv-zaken al snel is voldaan. Een -ook voorlopige- indicatie waarom de indiener van het beroepschrift zich niet met de aangevochten beslissing kan verenigen, is voldoende om te kunnen spreken van een grond (vgl. overweging 8 in het arrest van het hof 22 december 2016, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2016:10365).
5. Het hof stelt vast dat in het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie van 10 december 2020 naar voren wordt gebracht dat de betrokkene over onvoldoende financiële middelen beschikt en dat daarom wordt verzocht om de zekerheid op nihil te stellen. Dit betreft echter een verweer met betrekking tot de betaling van de zekerheidstelling in de procedure bij de kantonrechter, maar niet een beroepsgrond tegen de beslissing van de officier van justitie. De stelling van de gemachtigde gaat dus niet op.
6. Het voorgaande brengt mee dat de kantonrechter terecht tot het hiervoor onder 1 vermelde oordeel is gekomen. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom bevestigen.
7. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021, vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786).

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Arntz als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.