Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoeker in het principaal hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Partijen zijn in 1997 op huwelijkse voorwaarden getrouwd, die in 2009 en 2016 tweemaal zijn gewijzigd via notariële aktes. De vrouw verzocht vernietiging van deze wijzigingsakten, wat door de rechtbank werd toegewezen. De man ging hiertegen in hoger beroep. Het hof oordeelt dat de vrouw onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij niet goed is voorgelicht of dat sprake is van wilsgebreken zoals dwaling, bedrog of misbruik van omstandigheden. De notariële begeleiding en informatievoorziening waren zorgvuldig.
Het hof stelt dat de vrouw de bewijslast draagt voor haar stellingen tot vernietiging en dat het beroep op vernietiging wegens dwaling niet slaagt, behalve voor een deel dat betrekking heeft op verrekening van vermogen volgens artikel 1:135 BW Pro. Dit verzoek is echter verjaard op grond van artikel 3:200 BW Pro, waardoor vernietiging alsnog wordt afgewezen. De akten van 3 maart 2009 en 13 juni 2016 blijven onverkort van kracht.
Daarnaast is er een geschil over de verdeling van de woning aan een adres te een woonplaats. De rechtbank had verkoop aan een derde gelast met een minimumprijs van € 2.300.000,-. Het hof vernietigt deze minimumprijs en bepaalt dat de woning verkocht moet worden, waarbij een makelaar bindend de vraag- en laatprijs mag bepalen als partijen geen overeenstemming bereiken. Tevens kan de vrouw de verkoop en levering voortzetten zonder medewerking van de man indien deze weigert.
De proceskosten in hoger beroep worden gecompenseerd, waarbij elke partij haar eigen kosten draagt. Het hof wijst verder alle overige verzoeken af.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot vernietiging van de gewijzigde huwelijkse voorwaarden af en bevestigt de geldigheid van de akten uit 2009 en 2016; tevens wijzigt het de wijze van verdeling van de woning zonder minimumprijs.