Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
1.[appellante] ,
[appellant],
[de bewindvoerder] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , handelend als beschermingsbewindvoerder van mevrouw [appellante] ,
[appellanten] ,
de man,
1.Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
2.De kern van de zaak
4.Het oordeel van het hof
de gekozen bewoordingen in de akten van 6 mei 2010 en 14 oktober 2010 erop duiden dat partijen voor ogen stond om hun rechtsverhouding zo te regelen dat de woning door [geïntimeerde] zou worden overgenomen en [appellante] "schuldenvrij " uit het huwelijk zou geraken. Daarmee is een verdeling tot stand gekomen als bedoeld in artikel 3:182 BW Pro. Wat partijen hebben afgesproken impliceert immers dat zij het ook eens zijn over de financiële gevolgen van die verdeling (...).”
,en grief III, betreffende de afwijzing door de rechtbank van de vorderingen van [appellanten] , falen eveneens omdat [appellanten] het lot van deze grieven heeft verbonden aan het slagen van grief I en daarvan geen sprake is.