Uitspraak
verzoekster in de zaak 200.293.759,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze civiele procedure staat de vraag centraal wie aanspraak kan maken op schadevergoeding wegens de onrechtmatige verlenging van een crisismachtiging op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz). De rechtbank had de Staat veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan de betrokkene, maar de vergoeding van advocaatkosten voor de cassatieprocedure werd afgewezen. Zowel de betrokkene als de betrokken advocaten gingen hiertegen in hoger beroep.
Het hof overweegt dat alleen de betrokkene als belanghebbende kan worden aangemerkt en aanspraak kan maken op vergoeding van materiële schade, waaronder redelijke advocaatkosten. De verzoeken van de cassatieadvocaat en mr. Kool worden niet ontvankelijk verklaard omdat zij geen belanghebbenden zijn. De advocaatkosten van mr. Kool worden niet als redelijke kosten in de zin van artikel 6:96 BW Pro aangemerkt, mede omdat zij een toevoeging ontving en geen verzoek tot extra uren heeft ingediend.
De kosten van de cassatieadvocaat worden wel als redelijke vermogensschade erkend en de Staat wordt veroordeeld deze te vergoeden. Daarnaast wordt de Staat veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep. De beschikking van de rechtbank wordt voor zover nodig vernietigd en opnieuw beslist.
Uitkomst: De Staat wordt veroordeeld tot vergoeding van de advocaatkosten van de cassatieadvocaat aan de betrokkene en de verzoeken van de advocaten worden afgewezen wegens gebrek aan belang.