Belanghebbende, woonachtig in Duitsland, stelde zich op het standpunt dat hij als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige recht heeft op aftrek van hypotheekrente en heffingskortingen in Nederland over het jaar 2015. De Inspecteur had dit geweigerd omdat belanghebbende niet voldeed aan de voorwaarden van artikel 7.8 Wet IB 2001. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna belanghebbende hoger beroep instelde.
Het hof onderzocht of belanghebbende voldoet aan de voorwaarden van artikel 7.8, lid 8, Wet IB 2001 in verbinding met artikel 21bis Uitvoeringsbesluit IB. Hoewel belanghebbende een inkomen had dat in Duitsland niet tot belastingplicht leidde, was dit niet vanwege een laag inkomen, maar vanwege overgangsregelingen in het Duitse belastingstelsel voor pensioenen. Hierdoor kon niet worden aangenomen dat belanghebbende wegens gering inkomen in Duitsland geen belasting was verschuldigd.
Subsidiair stelde belanghebbende dat op grond van Unierecht Nederland toch rekening moest houden met zijn persoonlijke situatie. Het hof oordeelde dat dit niet aan de orde was, mede omdat belanghebbende niet in een Schumackerpositie verkeerde en zijn echtgenote in Nederland wel recht heeft op aftrek. Het hof verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank.