De zaak betreft een geschil over schadevergoeding voor waterschade aan een glasoven, winstderving en schade aan een laptop, na ontbinding van een vennootschap onder firma (vof). Vennoot A stelde vorderingen in die betrekking hebben op vermogensbestanddelen van de vof, maar niet in naam van de vof zelf.
Het hof oordeelt dat vennoot A niet ontvankelijk is omdat hij niet heeft aangetoond dat hij als vereffenaar bevoegd was of dat medevennoot B afstand heeft gedaan van haar aandeel in het vermogen van de vof. De oven en winstderving behoorden tot het gezamenlijke vermogen van de vof, en de vorderingen waren niet op juiste wijze ingesteld.
Ten aanzien van de laptop is vastgesteld dat deze niet voldoende als eigendom van vennoot A is onderbouwd, waardoor ook deze vordering is afgewezen. De eerdere veroordeling tot schadevergoeding wordt vernietigd en vennoot A wordt veroordeeld in de proceskosten.