Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
1.De procedure in eerste aanleg
2.De procedure in hoger beroep
- de man met zijn advocaat;
- de vrouw.
3.De feiten
4.Het geschil
- de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie, zoals die was vastgelegd in de beschikking van 29 januari 2016 van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, gewijzigd en deze kinderalimentatie vanaf 1 november 2019 op nihil bepaald;
- de vrouw veroordeeld om al hetgeen zij met betrekking tot de periode van 1 november 2019 tot en met juni 2021 bij de man heeft geïncasseerd, dan wel door het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen bij de man heeft laten incasseren, inclusief de opslagkosten, binnen een week na betekening van de beschikking aan de man terug te betalen;
- de beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard;
- het meer of anders verzochte afgewezen;
- beslist dat beide partijen hun eigen proceskosten moeten betalen.
- te bepalen dat de man met ingang van 1 juli 2019 geen kinderalimentatie meer verschuldigd is voor [de minderjarige1] ;
- met veroordeling van de vrouw om al datgene wat zij geïncasseerd heeft of heeft laten incasseren over de periode vanaf 1 juli 2019 binnen een week na betekening van de uitspraak aan de man terug te betalen of laten afdragen;
- te bepalen dat de vrouw aan de man, ingaande 1 juli 2019, althans 1 november 2019, althans ingaande de datum van het verzoekschrift in eerste aanleg (15 juli 2021), aan kinderalimentatie heeft te betalen een bedrag van € 100,- per maand, althans € 25,- per maand, althans een zodanig hoger of lager bedrag als het hof in goede justitie zal bepalen, alles bij vooruitbetaling te voldoen;
- de vrouw te veroordelen in de kosten van deze procedure.