In deze civiele zaak staat de uitleg van een erfdienstbaarheid op het spel, waarbij het recht op een uitweg centraal staat. De erfdienstbaarheid is gevestigd in een notariële akte van ruilverkaveling uit 1973, waarbij een uitweg van vijf meter breed over een specifiek perceel is vastgelegd. De eigenaar van het dienende erf heeft de uitweg verplaatst en aangepast, wat tot geschil leidt met de eigenaar van het heersende erf die de oorspronkelijke uitweg wil behouden.
De rechtbank wees eerder de vorderingen van de eigenaar van het heersende erf af, maar het hof is van oordeel dat de nieuwste uitweg niet voldoet aan de vestigingsakte. Het perceel waarop de nieuwe uitweg deels ligt is inmiddels eigendom van de eigenaar van het dienende erf, waardoor de erfdienstbaarheid ten aanzien van dat perceel is komen te vervallen door vermenging. Ook voldoet de nieuwe uitweg niet aan de vereiste breedte van vijf meter exclusief sloten en dergelijke.
Het hof legt uit dat de breedte van de uitweg strikt moet worden uitgelegd aan de hand van de akte en dat de breedte van vijf meter alleen betrekking heeft op de strook grond waarover gereden kan worden. Getuigenverklaringen over een kleinere breedte in het verleden kunnen niet leiden tot verlies van het recht op een uitweg van vijf meter breed.
Gezien de ontstane problemen en het feit dat de eigenaar van het heersende erf zich niet eerder heeft verzet tegen eerdere uitwegtracés, vraagt het hof partijen zich uit te laten over een praktische oplossing. De zaak wordt aangehouden om partijen de gelegenheid te geven hun standpunten te geven over de gewenste uitweg.