Uitspraak
[appellant],
Probis,
1.Het verloop van de procedure in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep van 18 oktober 2021;
- de memorie van grieven van 25 januari 2022;
- de memorie van antwoord van 5 april 2022;
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Appellant werkte van 2014 tot 2019 bij Probis Nederland B.V. onder de cao Metaal & Techniek technische installatiebedrijven. Er ontstond een geschil over de juiste functiegroepindeling en de daarmee samenhangende loonbetaling. Appellant vorderde nabetalingen gebaseerd op hogere functiegroepen en een aanvullende vergoeding voor reisuren.
De rechtbank wees de vorderingen af, behalve een kleine rentevordering van Probis. In hoger beroep stelde appellant dat hij onjuist was ingeschaald en dat hij recht had op een hogere schaal en reisurenvergoeding conform de cao. Het hof onderzocht de cao, het functie-indelingshandboek en de feitelijke functie-inhoud.
Het hof oordeelde dat appellant onvoldoende bewijs leverde dat zijn functie vanaf het begin in een hogere schaal hoorde. Het feitelijke kennisniveau en opleiding waren niet doorslaggevend voor de functiegroepindeling. Ook de reisurenvergoeding werd afgewezen omdat Probis een schriftelijke verklaring had afgegeven dat deze vergoeding was inbegrepen in het salaris en appellant geen geldige berekening had gemaakt die aanspraak daarop rechtvaardigde.
Het hoger beroep werd afgewezen, het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd en appellant werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten in hoger beroep.
Uitkomst: Het hof wijst het hoger beroep af en bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter; appellant krijgt geen hogere functiegroepindeling of aanvullende reisurenvergoeding toegekend.