Belanghebbende kreeg op 10 september 2020 een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd omdat de parkeertijd was verstreken en er geen duidelijk zichtbare gehandicaptenparkeerkaart achter de voorruit lag. De Heffingsambtenaar handhaafde de aanslag bij bezwaar. De rechtbank Gelderland verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond. Belanghebbende stelde hoger beroep in bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
De rechtbank oordeelde dat belanghebbende niet aannemelijk had gemaakt dat de gehandicaptenparkeerkaart zichtbaar was achter de voorruit. Foto’s toonden geen kaart, wel een parkeerticket. De verklaring van de bijrijder, houder van de kaart, was onvoldoende specifiek en het ontbreken van een handtekening op het proces-verbaal deed hieraan niets af. Volgens de Verordening Parkeerbelasting Nijmegen en de ministeriële regeling moet de kaart duidelijk zichtbaar met de voorzijde naar buiten achter de voorruit worden geplaatst.
Het hof onderschreef deze overwegingen en vond dat het hoger beroep geen nieuwe feiten of argumenten bevatte die tot een ander oordeel konden leiden. De naheffingsaanslag werd daarmee bevestigd. Er werden geen proceskosten aan de zijde van belanghebbende toegekend. De uitspraak is gedaan door raadsheer M. Harthoorn op 13 september 2022.