Conclusie
1.Overzicht
Inleiding
2.De verleggingsregeling in de Btw-richtlijn en de Wet OB
Opmerking vooraf
Achtergrond
Artikelgewijze toelichting
Promociones y Construcciones BJ 200 [16] overweegt het Hof van Justitie in punt 28 over de doelstelling van art. 199 Btw Pro-richtlijn dat: [17]
SC Terracult [19] :
Het btw-identificatienummer als voorwaarde voor de verleggingsregeling (middel I)
Bockemühl [23] .
Bockemühlgaat weliswaar over een verleggingsregeling (te weten, een regeling die voorschrijft dat de in een andere lidstaat gevestigde ontvanger van de dienst de btw voldoet), maar niet over de vraag die in de onderhavige zaak speelt, namelijk of degene die de goederen levert de verleggingsregeling achterwege moet laten en dus toch de btw moet innen en aan de fiscus moet voldoen als de factuur niet het juiste btw-identificatienummer vermeldt. In
Bockemühlis aan de orde of de ontvanger van de dienst de btw in aftrek kan brengen als de factuur een gebrek vertoont. [24] Over die vraag is, anders dan over de vraag die hier speelt, veel jurisprudentie voorhanden. [25] Volgens die jurisprudentie is een factuur die de in art. 226 Btw Pro-richtlijn bedoelde vermeldingen bevat, een formele en niet een materiële voorwaarde voor het recht op btw-aftrek. Die rechtspraak brengt mee dat de afnemer niet een in overeenstemming met de formele voorwaarden van de Btw‑richtlijn opgestelde factuur hoeft te bezitten om zijn recht op aftrek te kunnen uitoefenen, ook niet als de verkoper de btw ten onrechte heeft verlegd. Zonder volledig te willen zijn noem ik
DGRFP Bucureşti [26] ,
Fatorie [27] ,
Farkas [28] en
PORR Építési Kft. [29] Dit kan volgens het Hof van Justitie echter anders liggen wanneer de schending van dergelijke formele vereisten het leveren van het zekere bewijs dat aan de materiële voorwaarden is voldaan, verhindert. [30]
Luxury Trust Automobil [34] , dat gaat over de intracommunautaire regeling voor zogenoemde driehoekstransacties. In dit arrest oordeelt het Hof van Justitie, kort gezegd, dat voor het aanwijzen van de eindafnemer als de tot voldoening van de btw gehouden persoon de factuur de vermelding ‘btw verlegd’ moet bevatten. Belangrijke verschillen tussen de laatste regeling en de onderhavige lompenregeling zijn echter dat (i) art. 199(1)d Btw-richtlijn, anders dan art. 197(1)c Btw-richtlijn, niet bepaalt dat de bepalingen van hoofdstuk 3, afdelingen 3 tot en met 5, waaronder art. 226, moeten worden nageleefd [35] en (ii) de lompenregeling, anders dan de regeling voor driehoekstransacties, [36] niet facultatief is maar dwingend. Gelet op die verschillen is het mijns inziens buiten redelijke twijfel dat een factuur met vermelding van een (Nederlands) btw-identificatienummer niet een materiële voorwaarde is voor toepassing van de onderhavige verleggingsregeling. [37] Noch in art. 199(1)d en art. 199(2) Btw-richtlijn noch in art. 12(5) Wet OB en art. 24bb Uitv.besl. OB wordt immers de verplichting genoemd om te beschikken over een (juist) btw-identificatienummer van de afnemer.
4.Identiteit van de afnemer (middel II)
Ferimet [41] van het Hof van Justitie. De feiten in die zaak liggen wel enigszins anders dan in de onderhavige zaak, maar uit de beoordeling door het Hof van Justitie volgt in mijn optiek onmiskenbaar dat de vermelding op de factuur van de werkelijke afnemer ook voor een situatie als de onderhavige een formele voorwaarde is. Een beoordeling naar analogie van de ‘substance over form’-rechtspraak zou meebrengen dat beoordeeld moet worden of het formele gebrek in de factuur (in dit geval het niet vermelden van de werkelijke afnemer) in de weg staat aan het bewijs dat aan de materiële voorwaarden is voldaan. In 3.14 kwam ik tot de slotsom dat dat in casu niet het geval is.
5.Voldoende zorgvuldig gehandeld? (middelen II en III)
dat die belastingplichtige wist of had moeten weten dat hij door zijn verkoop van de goederen of diensten waarvooraanspraak
op het nultarief wordt gemaakt, deelnam aan een keten van transacties waarin, in een eerder of later stadium, btw-fraude door een andere ondernemer werd gepleegd. [43] ”
Aquila Part Prod Com [47] geeft het Hof van Justitie een overzicht van die vaste rechtspraak en vult deze aan. In genoemd arrest, waarin het recht op aftrek van voorbelasting in geschil is, brengt het Hof in herinnering dat wat fraude betreft, het recht op aftrek niet alleen moet worden geweigerd wanneer de belastingplichtige zich zelf schuldig maakt aan btw-fraude, maar ook wanneer vaststaat dat de belastingplichtige aan wie de goederen of diensten waarvoor aanspraak op het recht op aftrek wordt gemaakt, zijn geleverd of verricht, wist of had moeten weten dat hij met de aankoop van deze goederen of diensten deelnam aan een handeling die onderdeel was van btw-fraude. In geval van btw-fraude moet het recht op aftrek in drie gevallen worden geweigerd, te weten als vaststaat dat (i) de belastingplichtige zelf btw-fraude heeft gepleegd; (ii) de belastingplichtige wist dat hij door zijn aankoop deelnam aan een handeling die onderdeel is van btw-fraude, en (iii) de belastingplichtige had moeten weten dat hij door zijn aankoop betrokken was bij een handeling die onderdeel is van fraude:
Aquila Part Prod Comoverweegt het Hof van Justitie voorts dat de belastingdienst die voornemens is het recht op aftrek te weigeren aan de hand van objectieve gegevens rechtens genoegzaam moet aantonen dat inderdaad sprake is van btw-fraude én dat de belastingplichtige fraude heeft gepleegd, of dat deze wist of had moeten weten dat de handeling waarvoor aanspraak op dat recht werd gemaakt, onderdeel was van de fraude:
rechtwaarop belanghebbende zich beroept moet worden geweigerd. Dergelijke rechten zijn te dezen niet in geschil. De vaststelling dat leverancier wist of had moeten weten dat hij deelnam aan btw-fraude kan in mijn optiek niet ertoe leiden dat belanghebbende moet worden aangewezen als de tot voldoening van belasting gehouden persoon als bedoeld in Titel XI, hoofdstuk 1, afdeling 1, Btw-richtlijn.
Italmoda [51] . In
Italmodaspreekt het Hof van Justitie stelselmatig over het weigeren van een recht op aftrek, een recht op een vrijstelling of een recht teruggaaf:
kunnen worden geweigerd, ondanks dat de fraude is gepleegd in een andere lidstaat dan de lidstaat waarin aanspraak op deze rechten wordt gemaakt en de belastingplichtige in deze laatste lidstaat heeft voldaan aan de formele voorwaarden die de nationale wet aan deze rechten verbindt.”
Ferimet [52] , PPUH Stehcemp [53] ,Kittel [54] , Maks Pen [55] , Fini H [56] , Glencore Agriculture Hungary [57] , FIRIN [58] en
Mahagében en Dávid [59] en
Bonik [60] ,waarin wordt gesproken over het ontzeggen van het recht op aftrek van de belasting.
Enteco Baltic [61] betreft een recht op btw-vrijstelling bij invoer dat de belastingplichtige wordt ontzegd.
Mecsek-Gabona [62] en
R [63] , de Staatssecretaris beroept zich op laatstgenoemd arrest, gaan over de weigering van een btw-vrijstelling voor intracommunautaire handelingen.
rechtenook geldt in gevallen waarin een belastingplichtige zich niet op een uit het Unierecht voortvloeiend recht beroept
.
Climate Corporation Emissions Trading [68] . In de zaak die tot dit arrest heeft geleid, was sprake van een verrichting van grensoverschrijdende diensten (de overdracht van broeikasgasemissierechten door een in Oostenrijk gevestigd bedrijf aan een afnemer in Duitsland). Ingevolge art. 44 van Pro de Btw-richtlijn en de overeenkomstige bepalingen van het nationale recht van de desbetreffende lidstaat wordt deze dienst geacht te zijn verricht in de lidstaat van de afnemer van de verrichte diensten, in Duitsland dus, en is het overeenkomstig art. 196 Btw Pro-richtlijn en de overeenkomstige bepalingen van dat nationale recht de afnemer die de btw verschuldigd is aan de schatkist. [69] De verwijzende rechter vroeg zich af of de rechtspraak van het Hof van Justitie over deelneming aan btw-fraude naar analogie van toepassing is op grensoverschrijdende diensten. [70] De verwijzende rechter wijst in dit verband op de beslissing in
Italmoda. Het Hof beantwoordt die vraag ontkennend en acht daarvoor in de eerste plaats redengevend dat de zaak geen betrekking heeft op het inroepen van een
recht(cursivering van mijn hand):
In de eerste plaats heeft de onderhavige zaak, anders dan de zaken die hebben geleid tot de in het vorige punt aangehaalde rechtspraak, echter geen betrekking op het inroepen van een recht zoals het recht op belastingvrijstelling voor een intracommunautaire levering,maar op de vaststelling van de plaats van de belastbare handeling.”
NLF2022/2222 af of ook een beroep op de verleggingsregeling moet worden gezien als een recht waarop in geval van wetenschap van fraude geen beroep kan worden gedaan. Zij doelt dan, naar ik begrijp, op de in geschil zijnde verlegging bij grensoverschrijdende diensten. Zij schrijft in dit verband (voetnoten hernummerd):
Climate Corporation Emissions Trading. Het antwoord luidt in mijn optiek zonder twijfel ontkennend. De plaats van dienst en daarmee de persoon die ingevolge art. 196 Btw Pro-richtlijn de belasting verschuldigd is, [73] kan niet worden gewijzigd.
allemogelijke gevallen van fraude en misbruik, levert geen strijd op met art. 12(5) Wet OB. Die bepaling beoogt immers regelingen te treffen die
meerwaarborgen bieden voor de inning van omzetbelasting.