Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoeker in het principaal hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze zaak stond de hoogte van de kinderalimentatie voor de minderjarige [de minderjarige2] centraal, waarbij de draagkracht van de man, de onderhoudsplichtige, ter discussie stond. De rechtbank had vastgesteld dat de man vanaf 9 augustus 2021 €284 per maand moest betalen, rekening houdend met een bijdrage voor de andere minderjarige. De man kwam in hoger beroep met het verzoek de alimentatie te verlagen of te laten vervallen, onder meer vanwege zijn gezondheidsklachten, WW- en Ziektewetuitkering en schulden.
De vrouw voerde verweer en stelde dat het inkomen van de man hoger was dan door de rechtbank aangenomen, dat de bijdrage voor de andere minderjarige niet langer werd betaald en dat de zorgkorting onjuist was toegepast. Het hof oordeelde dat voor de periode van 9 augustus 2021 tot 1 maart 2022 de man een WW-uitkering ontving en dat hij geen sollicitatieactiviteiten had ondernomen, waardoor zijn verdiencapaciteit terecht als maatstaf werd genomen. De vermeende bijverdiensten van de man bleken onvoldoende onderbouwd.
Vanaf 1 maart 2022 ontving de man een Ziektewetuitkering en werd hij niet geacht zijn oude verdiencapaciteit te benutten. Gezien zijn schuldenpositie, het gemeentelijke schuldhulpverleningstraject en beslaglegging, had de man onvoldoende middelen om kinderalimentatie te betalen. Het hof stelde daarom de kinderalimentatie vanaf die datum op nihil. Het hof bekrachtigde de eerdere beschikking voor de periode tot 1 maart 2022 en wees de overige verzoeken af.
Uitkomst: De kinderalimentatie wordt bekrachtigd tot 1 maart 2022 en vanaf die datum op nihil gesteld wegens gebrek aan draagkracht.