ECLI:NL:GHARL:2022:8486

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
4 oktober 2022
Publicatiedatum
4 oktober 2022
Zaaknummer
Wahv 200.300.223/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:4 AwbArt. 3 WahvArt. 9 WahvArt. 170 Wegenverkeerswet 1994
Verwijzingen
10 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging sanctie parkeerboete en wegsleepkosten naast elkaar toegestaan

De betrokkene kreeg een sanctie van €95 opgelegd voor het parkeren op een plek waar dat niet is toegestaan, vastgesteld op 31 juli 2020 aan de Cremerweg in ’s-Gravenhage. Betrokkene voerde aan dat hij geen bord E1 was gepasseerd en dat de aanwezigheid van het bord niet was vastgesteld. Tevens stelde hij dat het voertuig was weggesleept en dat hij daardoor dubbele kosten had gemaakt, wat volgens hem onrechtvaardig was.

Het hof oordeelde dat de ambtenaar die de sanctie oplegde ter plaatse was en het bord E1 had vastgesteld en gefotografeerd, waardoor de overtreding vaststaat. Daarnaast waren er meerdere sancties opgelegd op verschillende data, zodat niet sprake was van één gedraging. Het hof stelde vast dat het betalen van wegsleepkosten een financiële compensatie betreft en geen straf, waardoor het opleggen van een administratieve sanctie daarnaast geoorloofd is.

De betrokkene verwees naar een eerdere gedragslijn waarbij wegsleepkosten in mindering werden gebracht op de sanctie, maar het hof stelde dat deze gedragslijn sinds 17 juli 2020 niet meer wordt gehanteerd. Ook het beroep op het una via-beginsel werd verworpen omdat er geen sprake was van strafrechtelijke afdoening, maar van bestuursdwang. Het hof bevestigde daarom de beslissing van de kantonrechter en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de parkeerboete en wijst het beroep tegen de sanctie en het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.300.223/01
CJIB-nummer
: 235617459
Uitspraak d.d.
: 4 oktober 2022
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 19 juli 2021, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. N.G.A. Voorbach, kantoorhoudende te Zoetermeer.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard en het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Op 11 februari 2022 is nog een e-mail van de gemachtigde van de betrokkene ontvangen. Een kopie daarvan is toegestuurd aan de advocaat-generaal.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 95,- voor: “een voertuig parkeren waar dat niet mag (bord E1, parkeerverbod(szone))”. Deze gedraging zou zijn verricht op 31 juli 2020 om 19:33 uur op de Cremerweg in ’s-Gravenhage met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde voert aan dat de betrokkene op de door hem afgelegde route geen bord E1 is gepasseerd. Uit het dossier blijkt niet dat (kort) voor aanvang van de controle de bebording is gecontroleerd, terwijl de aanwezigheid van de bebording cruciaal is om de gedraging vast te kunnen stellen. Verder voert de gemachtigde aan dat het voertuig is weggesleept en dat de betrokkene daarvoor kosten heeft gemaakt. Ter onderbouwing hiervan heeft de gemachtigde stukken overgelegd.
De betrokkene wordt nu voor dezelfde parkeeractie meerdere keren bestraft. Er is sprake van één wilsbesluit. De betrokkene heeft namelijk één keer besloten om zijn voertuig ter plaatse te parkeren en heeft zijn voertuig in de tussentijd niet verplaatst. In een dergelijk geval is het gebruikelijk dat de sanctie wordt gematigd tot nihil. Het openbaar ministerie hanteert namelijk een vaste gedragslijn die inhoudt dat wanneer sprake is van wegsleepkosten, deze in mindering worden gebracht op het sanctiebedrag. De gemachtigde verwijst in dit verband naar het arrest van het hof van 23 september 2019 (vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2019:7712). Deze praktijk sluit aan bij artikel 3:4 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat het onevenredig is dat de betrokkene voor dezelfde parkeeractie meerdere keren wordt bestraft en voor in totaal bijna € 1.000,- aan boetes ontvangt. Tot slot voert de gemachtigde aan dat uit de verklaring van de ambtenaar blijkt dat sprake is van (gedeeltelijke) afdoening langs het strafrecht. Hij heeft hiervan echter geen melding gemaakt in zijn verklaring. De inleidende beschikking dient dan ook te worden vernietigd wegens strijd met het una via-beginsel.
3. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
4. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ik zag toen dat daar een voertuig geparkeerd stond in strijd met het parkeerverbod. Ik zag aan het begin van de Cremerweg dat bord E1, zoals omschreven in bijlage 1 van het RVV 1990, geplaatst staat. Ik zag dat onder dit bord een onderbord geplaatst was welke naar links wees, in de richting van het voertuig. (…)
Ik zag dat het voertuig al twee keer eerder geverbaliseerd was, te weten 25 juli 2020 en 29 juli 2020. Ik zag aan de foto’s bijgevoegd aan deze verbalen dat de auto op dezelfde locatie ter plaatse bekeurd is. (…)
Nadat ik het voertuig geverbaliseerd had, heb ik het doorgegeven aan de wachtcommandant van de afdeling parkeren om het voertuig te laten verslepen door de firma Barendregt. ”
5. Verder bevat het dossier een proces-verbaal van bevindingen d.d. 24 september 2020 met als bijlage het brondocument met daarin de door de ambtenaar ter plaatse gemaakte foto’s. Op deze foto’s is het voertuig van de betrokkene te zien, alsmede een bord E1 met daaronder een onderbord met daarop een naar links wijzende pijl.
6. Het hof ziet in hetgeen door de gemachtigde is aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan de aanwezigheid van een bord E1. De ambtenaar die de sanctie heeft opgelegd was zelf ter plaatse. In een dergelijk geval mag in het algemeen worden aangenomen dat de ambtenaar heeft vastgesteld dat de relevante bebording aanwezig en duidelijk zichtbaar is (vgl. het arrest van het hof van 28 februari 2020, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2020:1803). Dat de ambtenaar dit in deze zaak ook heeft gedaan blijkt uit diens verklaring dat hij aan het begin van de Cremerweg een bord E1 zag staan, alsmede uit het feit dat hij een foto van het betreffende bord heeft gemaakt. Aldus staat naar het oordeel van het hof vast dat de gedraging is verricht.
7. Voor zover de gemachtigde stelt dat de betrokkene meerdere malen is bestraft voor dezelfde gedraging, omdat sprake is van één wilsbesluit en de betrokkene het voertuig tussentijds niet heeft verplaatst, overweegt het hof het volgende. Uit de stukken blijkt dat aan de betrokkene naast de onderhavige sanctie nog twee sancties zijn opgelegd voor het parkeren in strijd met het parkeerverbod op dezelfde locatie, te weten op 25 juli 2020 en op 29 juli 2020. Reeds hierom kan niet worden gezegd dat sprake is van één en dezelfde gedraging, maar van drie afzonderlijke gedragingen. Gelet op de strekking van het onderhavige verkeersvoorschrift kan in beginsel op ieder moment waarop wordt geconstateerd dat een voertuig ergens staat geparkeerd waar dat niet mag een sanctie worden opgelegd. De opvatting dat voor een volgende gedraging pas een sanctie mag worden opgelegd indien het voertuig is verplaatst, vindt geen steun in het recht.
8. Voor zover de gemachtigde stelt dat de betrokkene meerdere malen is bestraft voor dezelfde gedraging, omdat hij ook wegsleepkosten heeft moeten betalen, overweegt het hof het volgende. Op grond van artikel 170, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 mag een op een weg staand voertuig worden overgebracht en in bewaring worden gesteld, indien met het voertuig een bij of krachtens deze wet vastgesteld voorschrift wordt overtreden en verwijdering van het voertuig noodzakelijk is in verband met a) het belang van de veiligheid op de weg of b) het belang van de vrijheid van het verkeer of c) het vrijhouden van aangewezen weggedeelten en wegen. Het doorberekenen van de kosten hiervan aan de betrokkene is niet van dien aard dat geoordeeld moet worden dat het daarbij om iets anders of meer gaat dan financiële compensatie voor de (ter uitoefening van de bestuursdwang) gemaakte kosten. Daarom kan het doorberekenen van deze kosten niet worden aangemerkt als het opleggen van een straf. De omstandigheid dat de betrokkene wegsleepkosten heeft moeten betalen maakt dus niet dat aan hem niet tevens een sanctie op basis van de Wahv mocht worden opgelegd.
9. Voor zover de gemachtigde een beroep heeft gedaan op het evenredigheidsbeginsel dat is neergelegd in het tweede lid van artikel 3:4 van Pro de Awb, overweegt het hof het volgende.
10. Ingevolge artikel 9, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wahv kan beroep worden ingesteld ter zake dat de officier van justitie had moeten beslissen dat de omstandigheden waaronder de gedraging heeft plaatsgevonden, het opleggen van een administratieve sanctie niet billijken dan wel dat hij, gelet op de omstandigheden waarin de betrokkene verkeert, een lager bedrag van de administratieve sanctie had moeten vaststellen. Hiermee heeft de wetgever in de Wahv een regeling opgenomen die een vergelijkbare werking heeft als het in artikel 3:4 van Pro de Awb neergelegde evenredigheidsbeginsel. De rechter in Wahv-zaken dient te toetsen aan de bijzondere regeling die is neergelegd in artikel 9, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wahv.
11. In het arrest waarnaar de gemachtigde heeft verwezen heeft het hof geoordeeld dat is gebleken dat de CVOM een vaste gedragslijn hanteert die inhoudt dat wanneer een betrokkene zijn voertuig niet rechtmatig heeft geparkeerd en in zijn beroep aanvoert dat zijn voertuig is weggesleept, de wegsleepkosten in mindering kunnen worden gebracht op het sanctiebedrag. Voorwaarde is dat de betrokkene aannemelijk maakt dat zijn voertuig is weggesleept en dat hij tevens inzicht geeft in welke kosten hij daarvoor heeft moeten maken.
12. In de onderhavige zaak heeft de advocaat-generaal naar voren gebracht dat de bovengenoemde gedragslijn met ingang van 17 juli 2020 niet meer wordt gehanteerd. Dit blijkt uit de volgende passage van de op de beoordeling van Mulderberoepen van toepassing zijnde ‘Werkinstructie parkeren en verkeersborden’:
“1.10 Wegsleepkosten
(met ingang van 17-07-2020) Er wordt in principe niet gematigd wanneer betrokkene aanvoert dat er wegsleepkosten zijn gemaakt. Het aanvoeren/-tonen van wegsleepkosten maakt namelijk geen onderdeel uit van de beoordeling van de Muldergedraging en sanctieoplegging, aangezien de Mulderbeschikking een aparte grondslag heeft. Mocht je vanwege bijzondere omstandigheden toch willen matigen, overleg dit dan eerst met je aanspreekpunt.”
13. Nu ten tijde van de beslissing van de officier van justitie in de onderhavige zaak geen sprake meer was van een vaste gedragslijn die eruit bestond dat wegsleepkosten in mindering konden worden gebracht op het sanctiebedrag, faalt het beroep van de gemachtigde op deze gedragslijn.
14. Het beroep van de gemachtigde op het una via-beginsel begrijpt het hof aldus dat is gehandeld in strijd met de Aanwijzing feitgecodeerde misdrijven, overtredingen en muldergedragingen (hierna: de Aanwijzing).
15. Die Aanwijzing houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:
“Als geconstateerd is dat een persoon op een bepaald moment meerdere overtredingen heeft begaan, wordt aan betrokkene/verdachte een administratieve sanctie opgelegd, óf wordt tegen hem een strafbeschikking uitgevaardigd óf proces-verbaal opgemaakt. Afdoening langs één traject is het uitgangspunt om verwarring van procedures te voorkomen. Als wel de strafrechtelijke en de administratiefrechtelijke weg worden bewandeld, moet daarvan in het proces-verbaal zo concreet mogelijk melding worden gemaakt. Van deze mogelijkheid mag slechts in zeer uitzonderlijke gevallen gebruik worden gemaakt.”
16. Van handelen in strijd met de Aanwijzing is in dit geval geen sprake. Naast het feit dat in dit geval geen sprake is van meerdere op één moment begane overtredingen, is niet gebleken dat sprake is van een (gedeeltelijke) strafrechtelijke afdoening. Voor zover de gemachtigde doelt op het wegslepen van het voertuig, merkt het hof op dat dit geen strafrechtelijke afdoening betreft, maar het uitoefenen van bestuursdwang.
17. Het voorgaande brengt mee dat de kantonrechter het beroep terecht ongegrond verklaard. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter dan ook bevestigen.
18. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021, vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786).

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Starreveld als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.