Belanghebbende is eigenaar van een appartement dat door de heffingsambtenaar op grond van de Wet WOZ is gewaardeerd op €410.000 per 1 januari 2019. Tegen deze vaststelling en de daarop gebaseerde aanslag OZB heeft belanghebbende bezwaar gemaakt, dat is afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna belanghebbende hoger beroep instelde.
In hoger beroep betwist belanghebbende de hoogte van de waarde en stelt dat de heffingsambtenaar in het verleden beleid heeft gevoerd waarvan in het onderhavige jaar ten nadele van hem is afgeweken. Hij voert aan dat de waarde niet gelijk is aan de prijs die de meest biedende gegadigde zou betalen en dat de gebruikte referentie-objecten niet tegen economische waarde zijn verkocht.
Het hof oordeelt dat de waarde in het economisch verkeer conform artikel 17, tweede lid, Wet WOZ wordt bepaald door de prijs die de meest biedende gegadigde zou betalen. De vergelijkingsmethode met referentie-objecten is een bruikbaar instrument en de door de heffingsambtenaar overgelegde taxatierapporten en matrix zijn voldoende onderbouwd. Het beroep op beleid en gelijkheidsbeginsel wordt verworpen omdat elke waardevaststelling op zichzelf staat en de heffingsambtenaar geen beleid heeft gevoerd dat in het onderhavige jaar ten nadele is losgelaten.
Daarom wordt het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er worden geen proceskosten toegekend.