Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoeker in hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Partijen zijn in 1985 gehuwd en in 2016 gescheiden, waarbij zij afspraken maakten over partneralimentatie in een convenant van oktober 2015. De man verzocht de alimentatie te verminderen en af te bouwen, maar de rechtbank wees dit af. In hoger beroep stelde de man nieuwe grieven voor, waarvan het hof een deel toeliet.
Het hof oordeelde dat partijen bewust van de wettelijke maatstaven waren afgeweken bij het convenant, waardoor wijziging op grond van artikel 1:401 lid 5 BW Pro niet van toepassing is, maar artikel 1:159 lid 3 BW Pro. De man bracht wijziging van omstandigheden in, waaronder een nieuwe functie met ander salaris per 1 mei 2022, wat relevant werd bevonden. Andere wijzigingen, zoals het bereiken van pensioengerechtigde leeftijd van de vrouw, werden niet als relevant erkend.
De behoefte van de vrouw werd vastgesteld op €5.161 netto per maand, en haar behoeftigheid werd bevestigd vanwege haar leeftijd, gezondheid en lange afwezigheid van arbeidsinkomen. De draagkracht van de man werd berekend op €5.260 bruto per maand, voldoende om de alimentatie te voldoen. Het hof bekrachtigde de eerdere beschikking en compenseerde de proceskosten, waarbij elke partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de eerdere beschikking en wijst het verzoek tot vermindering van partneralimentatie af.